Opoe :

22-02-2012 14:41

 

Opoe was 93 jaar oud toen ze overleed.

 

Opoe had Alzheimer, de laatste jaren had ze doorgebracht in het verpleegtehuis in Slotervaart. Opoe moest daar heen omdat het zelfstandig wonen, in haar beneden huisje aan de Tweede Kostverlorenkade, niet meer mogelijk was. Opoe kon zich niet meer verzorgen, ze was vaak een beetje de weg kwijt de laatste tijd dat ze daar nog woonde.

Eigenlijk was Opoe, Opoe niet meer op het laatst.   

Opoe was mijn Opoe niet meer op het laatst.

 

De tweede Kostverlorenkade

Het was een pand aan de tweede Kostverlorenkade, tussen de Kinkerstraat en de Borgerstraat, in Amsterdam. Op drie hoog woonde Opoe. Aan de rand van de stad zeg maar. Aan de overkant van de tweede Kostverlorenkade hield het bewoonde Amsterdam op. Aan de ander kant van het water, aan de polderkant zeg maar, was de ‘overhaal’.

Daar werden de kleine platte bootjes opgetild uit de polder vaarten en in de Kostverlorenvaart weer aan het water toevertrouwd. Vol beladen met verse groenten en alles wat het land te bieden had.  Af en toe kwamen er ook bootjes voorbij met kalveren en soms wat schapen. Dat waren de boeren uit de polder op weg met hun handel naar de veiling in de markthallen. Het was eigenlijk een drukte van je welste.

Wij, mijn ouders en ik, woonden op zolder bij Opoe. Er was op die zolder een “woning” gecreëerd. Ik werd geboren op die tweede Kostverlorenkade in 1953. Op de gang, die vanaf de trap doorliep tot aan het zolderraam aan de voorkant, daar onder dat raam was provisorisch een aanrecht gestort van graniet en een afvoer aan gesloten. Op de zolder zelf was, deels middels een paar houten wandjes en deels middels zware gordijnen, een zitgedeelte en een slaapgedeelte voor mijn ouders ingericht. Mijn wieg stond dus in een geïmproviseerde tussenkamer op de zolder.

Het was allemaal niet groot, niet ruim, maar alles was beter dan niets. Amsterdam kende in die jaren een ongekende woning nood. Dus mijn ouders waren de hemel te rijk met hun eigen stekkie. We woonden dus zeg maar op de zolder van de ouderlijke woning van mijn vader. Opoe woonde nog steeds op de derde verdieping. Nu nog alleen. Mijn grootvader ken ik alleen van de vele verhalen, niet de meest fraaie verhalen, die er over hem de ronde deden, maar wel passend in dat tijdsbeeld, van die eerste tien jaar na de oorlog.

Opoe en Opa waren, laten we maar zeggen, rijkelijk gezegend met een groot aantal kinderen. 9 stuks totaal. 2 waren er omgekomen in de oorlog. Dus zeven bleven erover, vier meisjes en drie jongens. Mijn vader was de oudste van de jongens. Ze woonden dus met z’n elfen in een woninkje wat bestond uit drie kamers, een keuken en een wc. Mijn Opoe en Opa hadden een klein eigen kamertje, waar de hele club was geproduceerd. De meisjes deelden de andere slaapkamer en voor de jongens was een hoekje ingeruimd op de zolder verdieping, die dus later dienst deed als woning voor mijn ouders en mij.

Opoe had drie of vier adressen waarvoor ze de was mocht doen. Die inspanning leverde een stevige bijdrage aan het besteedbaar inkomen van het gezin. Dat wassen deed ze naast de verzorging van de kinderen en haar man.  Opa was huisschilder en had dorst…….

 

Dorst

Die dorst kostte hem meer dan de helft van zijn weekinkomen. Dat inkomen was volstrekt onvoldoende om het leven normaal doorgang te laten vinden.

Opa had, wat je noemt, een kwaaie dronk over zich. Als hij een goeie slok op had dan was er geen goed garen met hem te spinnen. Zijn handjes gingen dan een eigen leventje leiden en niets of niemand ontziend sloeg hij dan naar alles wat maar in zijn buurt kwam. Meestal was dat Opoe. Zij stortte zich tussen Opa en de kinderen die schreeuwend door de tent renden. Als Opa  was uitgeraasd bracht ze hem naar bed, pelde zijn kleren van zijn lijf en liet hem zijn roes uitslapen. Ik hoorde die verhalen natuurlijk pas later en stukje bij beetje.

De jaren verstreken, mijn ouders waren verhuisd naar Amsterdam West en ik moest, natuurlijk, mee. We kregen in de Orteliusstraat een woning op drie hoog. Ik was inmiddels vier of vijf jaar. We hadden eindelijk een eigen woning. Gewoon een eigen toilet en ik kreeg zelfs een eigen kamertje. Prachtig allemaal, iedereen dolgelukkig, ik ook maar…..…ik miste Opoe.

Jaren later, ik had de lagere school doorlopen en was terecht gekomen op de LTS aan de Postjesweg, op de hoek Witte de Withstraat vonden we elkaar weer. Elke vrijdagmiddag at ik bij Opoe een boterhammetje. Ja pas op hè,  niet zomaar een boterhammetje, nee dat had wel wat meer voeten in de aarde. Op vrijdag had ik bijna een uur middagpauze. De schildersklas van de heer Sargentini was een klein uur vrij. Eigenlijk te kort om naar huis te gaan. Even naar Opoe toe kon wel. Even snel de brug over, rechtsaf de kade op. Langs de “Harde Tours” die de kroeg hadden overgenomen en er nu een reisbureau in hadden gevestigd, op de hoek van de Kinkerstraat. Rennend langs de bussen, van de touringcar onderneming die daar bij de garage stonden en onderwijl de chauffeurs groetend die druk waren met het schoonmaken van de bussen.

Vlug langs Juffrouw van der Valk, de naaister die in het huisje naast Opoe woonde en die volgens Opoe het gemeenste wijf uit de buurt was. Ik heb nooit begrepen waarom dat zo was. Opoe was nou ook niet het type dat dat wel eens even haar fijn zou uitleggen. Nee, als Opoe dat zei,  dan was daar geen speld tussen te krijgen.

Aangekomen bij het pand waar ik geboren was, zag ik dat de deur van het beneden woninkje al open stond. Vlak nadat mijn ouders waren verhuisd, kreeg Opoe de mogelijkheid om te verhuizen van drie hoog naar het beneden woninkje in het zelfde pand. Daar hoefde ze geen ogenblik over na te denken. Die kans werd met beide handen aangegrepen. Ik duwde met mijn voet de deur een beetje verder open gooide mijn schooltas de gang in en brulde : OPOE….!!

“Kom maar verder, je weet de weg” klonk het uit de woonkamer. Ik liep met grote passen door. Ik opende de deur naar de woonkamer en liep naar binnen. De woonkamer was een originele kopie van de woonkamer op de derde verdieping van het zelfde pand. Alles, maar dan ook werkelijk alles was op exact de zelfde plaats weer opgesteld. Het was of ik nooit was weggeweest. Elke vrijdagmiddag, als ik binnen kwam, volgde er een inspectie van de zaken die er stonden. Ik slaakte elke keer een zucht van verlichting als ik vast kon stellen dat er niets veranderd was.

 

Het huisje van Opoe

Opoe zat op haar goede stoel. Als je vanuit de gang de huiskamer binnenkwam, dan zag je aan de rechterkant van de deur een rechte stoel staan. Naast die stoel stond een tafel met een gehaakt kleedje met daarop een tinnen theelichtje, met blauwe ruitjes, waardoor je de vlammetjes kon zien dansen onder de theepot waar de thee stond te trekken.

Aan de raamkant stonden twee fauteuiltjes op bolpoten. Het nu verschoten rood velours was wat is overgebleven van wat ooit de rijke bekleding geweest was. De zijkanten van de stoeltjes waren afgewerkt met gevlochten riet. Niet meer helemaal egaal en een beetje rafelig. Aan de wand links van de deur stond een wandkastje met een spiegel erboven die  voorzien was van een zware bronzen rand. Achter het stoeltje waar Opoe altijd zat, een beetje weg verscholen, stond nog een klein dressoirtje. Erop stonden de gebruikelijke attributen en decoraties. In het dressoirtje bewaarde Opoe alle belangrijke dingen. Een kastje vol met herinneringen aan vervlogen tijden. Erop stond een serviesje dat niet zou misstaan in een redelijk poppenhuis. In de kannetjes van dat serviesje bewaarde ze haar geld netjes verdeeld over de verschillende potjes.

Opoe zat daar op haar stoel, op de tafel voor haar lag een handspiegel die steunde tegen de theepot die normaal op het theelichtje stond. Opoe zat een beetje voorover gebogen met in haar rechter hand een haarborstel. Met haar linkerhand ondersteunde ze het lange zilvergrijze haar, terwijl de borstel lange halen maakte.

Ik stond perplex! Ik kende Opoe alleen met een opgedraaide knot bijna wit haar op haar hoofd. Dat haar was altijd verzorgd, nooit slordig. Nu zag ik haar voor het eerst met het  haar los. Lang, dik haar dat zeker tot over haar billen viel. Het was een indrukwekkend gezicht zoveel haar bij zo’n klein vrouwtje.

“Daar ligt geld voor de broodjes en schiet maar op want anders zijn ze uitverkocht!!” Gejaagd en geïrriteerd uitgesproken woorden waren mijn begroeting zoals vrijwel elke vrijdagmiddag. Ze voelde zich duidelijk niet behaaglijk zo met dat losse haar.

 

Het was een beetje alsof ze betrapt was bij iets wat anderen niets aanging. Er lag 1 gulden op tafel. Een gulden bestemd voor vier peneluxjes. Dat waren een soort van Galletjes maar dan uitgevoerd als kleine witte broodjes met een beetje zoetige smaak. Die broodjes moest ik ophalen in de Loodsstraat bij Bakker Imming.

“Nou vooruit, schiet op je hebt niet de hele middag hoor! Je moet gewoon weer op tijd op school zijn dus vooruit!.”  Gedwee liet ik mijn tas vallen, half onder de tafel, pakte de gulden en maakte weer rechtsomkeert  en rende in een ruk door naar de bakker. Het was een drukke zaak, er stonden altijd wel klanten. Ik had het nog nooit meegemaakt dat ik bij het  binnen komen meteen aan de beurt was.

Dat was niet erg. Ik stond dan meestal half naast de toonbank. Daarvandaan had je een mooi uitzicht via de deur naar de bakkerij. Beter nog, alle heerlijke geuren kwamen door die deur de winkel binnen. Een echte mengelmoes van geuren als, vers brood, roomboterkoekjes en andere lekkernijen, had vrijspel om vanuit de bakkerij de hele winkel te veroveren.

“Zeg het maar, jonge man? Wat mag het wezen?” vroeg de jongste bediende. “Ik wil graag vier peneluxjes hebben” wist ik benepen uit te brengen. Ik legde de gulden op de toonbank. Ze pakte de gulden weg en vroeg “Heb je nog meer geld bij je? Ze zijn deze week met twee cent omhoog gegaan. Er moet dus nog acht cent bij.” Een beetje aangeslagen schudde ik m’n hoofd en zei: “Dat is alles wat Opoe heeft meegegeven!”

“Nou, vertel maar tegen Opoe dat de broodjes duurder zijn geworden en dat er nog acht cent openstaat. Ik schrijf het wel even op. Niet vergeten hoor!” Ik knikte en voelde dat ik een kleur kreeg. Ik voelde me opgelaten, daar sta je dan te kijk voor alle klanten, krijg je te horen dat je te weinig geld bij je hebt. ’t Is me wat !!

Tegenwoordig zou je er niet meer zo mee wegkomen. Opschrijven is allang uit de mode geraakt. Nee, tegenwoordig wordt er weer een broodje uit de zak gehaald en kan je terug komen als je weer voldoende geld hebt.

 

Eenmaal terug bij Opoe stonden twee bordjes en een twee glazen verse schepmelk te wachten op het tafeltje. Opoe’s haren zaten in middels weer onberispelijk in een knot, ze zag er weer uit om door een ringetje te halen.

 

Ik gaf de zak met broodjes aan Opoe, ik liep vervolgens naar de keuken. In de achterste kast, tussen het grijs geëmailleerde  potten kabinet stond de pot met bruine suiker. In de lade onder het granieten aanrecht pakte ik twee messen. Om de boter te pakken moest ik de deur openmaken die toegang gaf tot het kleine binnenplaatsje. Daar, net achter de deur stond een klein kastje waarin de spullen waren opgeborgen die koel moesten blijven. Daar stond dus de botervloot met een groot stuk roomboter. Na alles te hebben verzameld vlug weer terug naar de huiskamer.

Opoe had inmiddels de broodjes opengesneden,  de hele kamer rook als een echte bakkerij. Alleen de lucht al deed het water in je mond lopen. Naast mijn bord lag een pakje shag met vloeitjes. “Opoe, stop daar nou mee. Ik kan heus wel mijn eigen shag kopen hoor. Ik krijg zakgeld en met wat ik er zo bijverdien gaat dat best” Ze wimpelde met een handgebaar al mijn argumenten in een keer van tafel. “als het niet meer gaat dan stop ik er wel mee” was het simpele argument.

Opoe smeerde de broodjes met dik roomboter en legde ze een voor een weer terug op de borden. Dat was het moment dat ik de broodjes voor me kreeg. De pikdonkere bruine basterd suiker bedekte het goudgeel van de roomboter op een broodje. Er ging net zoveel suiker op totdat je niets meer terug vond van die roomboter. Daarna werd heel voorzichtig de bovenkant erop gelegd en lagen er 2 verrukkelijke lekkernijen te wachten om verorberd te worden. Opoe schoof dan het bordje naar mij toe en trok vervolgens het andere bordje naar zich toe.

Zonder een woord uit te brengen brachten we, vrijwel gelijktijdig, de broodjes naar onze mond. De bordjes zo manipulerend dat deze precies onder het gapende gat van onze mond waren zodat er niets verloren kon gaan. Na de eerste hap klonk er dan een diepe zucht van zaligheid, de smaak van zoiets simpels kan zo emotioneel zijn.

Een diepe zucht was de meest gepaste uiting om weer te geven hoe lekker het was. Ik was meestal sneller door mijn eerste broodje heen dan Opoe en zonder te pauzeren was vervolgens het tweede broodje de pineut. Ook dit was weer sneller verdwenen dan die van Opoe. Ik had ze meestal al op als Opoe nog aan haar tweede broodje moest beginnen. Opoe vertelde dan, onder het eten, vaak over vroeger. Ach, die verhalen zal ik nog weleens met u delen.

Pas jaren later realiseerde ik mij dat Opoe extra langzaam at. Ze nam dan een hap van haar tweede broodje terwijl ik met verse melk de smaak wegspoelde van het overheerlijke broodje. Bij die eerste hap begon ze luid te zuchten “Poeh, poeh, dat vult! Ik zit gewoon te puffen. Nee, het lukt me echt niet meer. Mijn ogen zijn weer groter dan mijn maag.” Onderwijl schoof ze het bordje van zich af, keek me aan en zei: “Jij hebt vast nog wel plaats voor een broodje hé jongen” Begerig staarde ik dan naar het broodje. “Als u echt niet meer wilt, als u echt vol zit, dan lust ik het nog wel hoor Opoe!”

“Mooi, eet jij het dan maar lekker op, anders moeten we het aan de eendjes in de gracht voeren en dat is ook zonde, toch!” Ik trok dat bordje naar me toe en het broodje was binnen de kortste keren weer verorberd.

Nadat ik had geholpen om de vuile boel achter te zetten was het alweer tijd richting LTS te gaan. Opoe een dikke pakkerd, mijn pukkel, die trouw dienst deed als schooltas, opgepakt en mijn pakje shag goed weg gestopt, was ik er weer helemaal klaar voor. Op naar school.

Opoe zwaaide me dan uit bij de deur. Meestal bleef ze staan tot ik uit het zicht was verdwenen als ik de brug over ging. Behalve als toevallig juffrouw van de Valk naar buiten kwam. Tja, met zo’n gemeen wijf wil je natuurlijk niks te maken hebben.!!

Vaak denk ik, nu ik ouder word, met weemoed terug aan die bijzondere tijd en die speciale vrouw. Vaak ook betrap ik me erop dat ik die kleine dingen nog wel eens over zou willen doen.

Ach vertellen erover is ook een beetje herbeleven zullen we maar zeggen!!