Geknipt en geschoren een drieluik, deel1

29-09-2012 15:24

 

Geknipt en geschoren !

De kapper, natuurlijk speelt hij /zij een belangrijke rol in ons leven. Immers hoe zouden we er uit zien zonder deze edele vaklieden. Welke rol de kapper in uw leven heeft gespeeld heb ik natuurlijk geen idee van. Ik kan u wel, aan de hand van een drietal voorbeelden, vertellen welke rol de kapper, of zo u wil ‘de barbier’ in mijn burger en militaire leven heeft gespeeld.

Vandaag deel 1

 

De huiskapper.

Het is maandag avond, kwart over zes.

 

Ergens in het voorjaar van 1967, ik was goed 14 jaar en moest nog gewoon doen wat er gezegd werd. O, ik mocht best een eigen mening hebben. Er kon over van alles en nog wat gediscussieerd worden. Vaak, als ik echt goede argumenten had, waren mijn ouders ook nog bereid een deel ervan over te nemen. Maar meestal moest ik het onderspit delven.

Op een punt verloor ik, elke twee weken weer, de discussie. Geen argument was sterk genoeg. Geen tegenwerping werd geaccepteerd.

Er viel gewoon niet aan te ontkomen. Elke 2e maandagavond, om half zeven, werden mijn haren geknipt. Ik hoor u denken: ‘Ach gut, die arme jongen worstelt met een trauma’

Zo erg was het nou ook weer niet, maar toch. Al mijn vriendjes mochten hun haren langer laten groeien. Het hoorde gewoon bij het maatschappij beeld. Jongeren lieten hun haar groeien, maar niet ikke dus. Nee, ik moest gewoon leiden onder de ijdelheid van mijn vader.

 

Het ging dan ook niet alleen om mijn haren, die maandagen, nee ook die van mijn vader werden weer gereduceerd tot een kort opgeschoren koppie.

Mijn vader was schilder, geen kunstschilder maar huisschilder, samen met zijn broer en neef, runde ze een klein eigen schildersbedrijf met veel ‘burgerwerk’.

“Als ik naar de klanten moet, dan moeten ze kunnen zien dat ik geen kunstschilder ben, maar gewoon een nette man” was zijn motivatie.

 

Hetgeen niet betekende dat hij geen respect zou hebben voor een kunstschilder, hoor.

O nee, geen zins. Eigenlijk was dat kort geknipte en goed verzorgde uiterlijk van hem meer ingegeven door zijn ijdelheid dan door het feit dat hij het voor zijn klanten deed. Zo moest er elke maandag morgen een schone, spierwitte overal klaar liggen. Niet zomaar uit de was en hup aantrekken. Nee die werd, door mijn moeder, met de hand gewassen. Er werd geboend met grote hoeveelheden groene zeep. Daardoor blonk niet alleen de overal van mijn vader maar ook het granieten aanrecht had een glans dat zijn weerga niet kende. Nadat hij gedroogd was werd die overal nog eens uitgebreid gestreken. Ik weet zeker dat mijn vader een van de weinige schilders was met een vouw in de pijpen van zijn overal!

 

Op maandag morgen dus in ’glimmend’  wit naar zijn werk.  Steevast op de maandagavond tijdens het eten, de vraag: “Komt Joop nou deze week of……..???”

Mijn vader wist dondersgoed dat het niet de maandag van Ome Joop was. Nee, hij genoot op een valse manier van mijn schrikreactie. Alleen al bij het idee dat het weer zover was gingen mijn haren, voor zover mogelijk, spontaan overeind. 

Joop, voor mij dus Ome Joop, was een toneelkapper op leeftijd. Ome Joop had alle grote geknipt. Toon Hermans, Wim Sonneveld, Willy Alberti, Johnnie Jordaan en noem het hele zootje maar op, bij allemaal had ome Joop de handen in het haar gehad en daar was hij best trots op.

 

Ome Joop kluste bij.

Ach, ook een toneelkapper zijn inkomen was geen vetpot en een paar van die klanten die graag thuis geknipt wilde worden waren een, meer dan, welkome aanvulling op een karig loontje. Niet dat hij nu het onderste uit de kan vroeg voor zijn verschijnen, nee gewoon een schappelijke vergoeding, een kop koffie en, na afloop, twee borrels op het resultaat.

Ook dat resultaat werd dus bepaald door mijn ouders, of beter gezegd door mijn vader. “Gewoon een nette jongeman wil ik straks zien als je klaar bent” was zijn advies aan de kapper. Er werd ook nooit aan mij gevraagd door de kapper wat ik wilde, nee die vraag werd altijd rechtstreeks aan mijn vader gesteld. Als ik weleens probeerde om de lengte iets langer te houden dan dat mijn vader voor ogen stond, dan was steevast zijn opmerking tegen mij: “Het is simpel vriend, op het moment dat jij instaat bent om mij te betalen dan bepaal je ook de lengte van je haar. Tot die tijd betaald je vader en dus bepaald je vader. Nu ik erover nadenk heeft die houding er waarschijnlijk mede toe geleid dat ik perse naar de marine wilde.

Net als elke maandag, als Ome Joop kwam, trachtte ik mijn destijds denkbeeldige snor te drukken. Ik riep dan quasi nonchalant dat ik nog even naar mijn vriendjes ging.

Net als altijd klonk de stem van mijn vader dat dat geen probleem was maar dat ik om klokslag half zeven terug werd verwacht voor de behandeling. Ach, weggaan had dus al geen zin meer.

Half zeven, daar ging de bel.  Mijn moeder riep: “Doe jij even open, we weten dat het Ome Joop is, dan zet ik de koffie even aan”  Gedwee liep ik naar de voordeur. Deed die open en stond op het trapportaal op drie hoog. Liep twee treden af om bij het touw te kunnen waarmee de beneden deur werd opengetrokken.  “Wie is daar??” was de geheide vraag.  “Sinterklaas maar dan zonder baard” was zijn vaste antwoord.

 

Ome Joop had zijn fiets tegen het muurtje van het portiek geplaatst. Hij had zijn leren, versleten aktetas onder zijn arm waar zijn ‘gereedschap’ in zat. Die leren aktetas had nog een functie. “Dan herkent men mij niet als kapper, ik kan ook een beambte zijn die wat later heeft gewerkt of een klerk van een boekhoud kantoor.” Zo vertelde hij mij eens.

“Gaat niemand wat aan dat ik bij de mensen thuis knip, toch?”     

De laatste trap koste Ome Joop altijd een hoop energie. Halverwege stond hij dan even uit te blazen, keek omhoog en zag mij staan. “Is het nog ver? Kunnen jullie niet hier komen, dan hoef ik die hele trap niet meer op te klimmen” De woorden kwamen uit zijn mond alsof het zijn laatste woorden waren die hij ooit zou spreken.

Het gaf hem net voldoende asem om het laatste stukje zonder al te veel problemen te volbrengen.

“Ach, jongen, naar beneden gaat veel sneller, zal ik maar zeggen” onder begeleiding van een vette knipoog werden de woorden uitgesproken.

In de keuken stond inmiddels een van de eetkamer stoelen klaar. Met daarover heen een oud laken. Zodat de kleine haartjes niet in de bekleding van de stoel zouden komen te zitten. Ome Joop was druk doende om zijn tas uit te pakken. Alles wat hij mogelijk nodig had werd uitgespreid op de plank naast de stoel.

 

Een kleed om de ‘patiënt’ mee af te dekken. Een paar scharen en kammen, een handtondeuse en een moderne elektrische. Verder was daar nog het scheermes en een soort leren riem om het scheermes aan te zetten en tot slot een soort kwastje met lange slappe haren die een beetje mismoedig naar beneden hingen. Dat mes boezemde mij altijd een beetje angst in. Dat mes deed me altijd denken aan de meest gruwelijke en afgrijselijke moordaa       nslagen die daar vast mee waren gepleegd.

Brrrrr, de rillingen liepen me al over de rug als ik dat ding alleen al zag.

Dan was daar elke keer weer die zelfde vraag  “Wie van de heren is het eerst aan de beurt.”  Waarop mijn vader heldhaftig zei :  “Ik! Ik ben niet bang, dus kom maar op”

 

 

Hij nam plaats op de stoel. Met een grootse zwier werd het laken om mijn vader heen gegooid en werd het net onder zijn kin vast gezet met een soort tafelklemmen. De tondeuse ging aan, het opzet stukje werd nauwkeurig aan een laatste controle onderworpen.

En, samen met de kam, werd in een lange haal het meeste haar verwijderd. Alleen bij het aangezicht al voelde ik de angst bij me opkomen. Dat ging maar door en door. Mijn vader scheen het allemaal prachtig te vinden. Uiteindelijk werd de tondeuse onder aan de achterkant van zijn hoofd geplaatst en meteen haal naar boven gebracht. Zijn nek werd opgeschoren. Vrijwel glad, bijna geen haartje meer te zien.

Nadat ook de laatste resten zorgvuldig waren verwijderd met dat witte kwastje, werd het laken terug geslagen en kon mijn vader er weer 2 weken tegen aan.

 

Ik was aan de beurt.

Nog even een smekende blik en de vaste vraag aan Ome Joop: “Mag het niet een beetje langer blijven, ome Joop?”

Het had veel weg van een gebed. De overeenkomst was in ieder geval treffend, mijn smeekbede en een gebed hadden alle twee de eigenschap om niets te helpen.

Zo ook deze keer. Meedogenloos ging de tondeuse over mijn hoofd. Van voor naar achter van links naar rechts. Geen haartje bleef onberoerd, niet een beetje dons dat mijn nek bedekte kon ontkomen aan het scheermes, waarmee de contouren nog eens werden benadrukt. Binnen geen tijd was het gebeurd. Dat wat veertien dagen tijd nodig had om te groeien was in een keer verdwenen. Ook ik werd met de witte kwast behandeld, alle haartjes uit mijn gezicht geveegd en het kapkleed werd weer terug geslagen. Ik had mijn vrijheid weer terug! Ach , het zou maar veertien dagen duren voordat het geheel weer van vooraf aan zou aanvangen.  

Voor zover ik mij kan herinneren is het maar een keer in die jaren voorgekomen dat ik niet ‘behandeld’ werd op die bewuste maandagavond.