Overplaatsing: terug naar Doorn

25-02-2012 23:58

 

Mijn plunjezak was gepakt.

Mijn reis- en overplaatsingsbescheiden in mijn binnenzak.

Ik had me in het gala-uniform van het korps mariniers gehesen, het in mijn plunjezak proppen van dat lakense pak kon ik niet over mijn hart verkrijgen. Ik zou voor de laatste keer de deur achter me dicht trekken van de slaapzaal op Willemsoord in Den Helder. Ik was van de HMS. Amsterdam gekomen, met een tussenstop op Willemsoord in den Helder, om me vervolgens na het weekend te gaan melden in de van Braam Houckgeest kazerne in Doorn.

De bedoeling van deze overplaatsing was om een losgeslagen puber weer in het gareel te krijgen.

Mijn boordplaatsing was in mijn ogen een succes geweest. Ik had circa een half jaar gevaren en alles gedaan wat god en de marine verboden hadden. Ik was van puberjongen naar jongvolwassenen gegroeid. Met behoud van het puberaal gedrag, dat wel. Het was zover gekomen dat de commandant het niet langer verantwoord vond om mij aan boord te houden en me overplaatste naar het opleidingscentrum van het Korps mariniers in Doorn. Zodat ze daar weer een poging konden wagen om  mij weer in het keurspak te laten passen.

De marine dacht dus duidelijk anders over mijn inzet aan boord.

Na het weekend zou, noem het maar, mijn heropvoeding als marinier een aanvang krijgen. Ik moest me melden op maandag morgen om 09.00 uur. Ik had dus nog alle tijd om van het weekend te genieten. Nadat ik mijn reisorders had gekregen van de onderofficier van de wacht van Willemsoord kon ik richting station vertrekken met de pendeltruck. Mijn hele hebben en houwen zat in die plunjezak. Ik gooide hem met een zwier in de laadbak van de truck, sprong er zelf ook in en gaf een klap tegen het schot tussen de cabine en de laadbak, ten teken dat we konden rijden.

Vrijwel onmiddellijk zette de truck zich in beweging. We reden richting poort en het haventerrein werd kleiner en kleiner. Uiteindelijk verlieten we door de slagboom het marine complex en reden we de burgermaatschappij binnen voor het weekend!

Onwettig afwezig:

We passeerde “café  de Boei” . Ik had daar een paar dagen onderdak gevonden en achter de bar gestaan. Nadat duidelijk was geworden dat ik niet langer aan boord kon blijven van de HMS. Amsterdam, had ik verlof aangevraagd. Dat werd geweigerd omdat men nog niet precies wist wat ze met me aan moesten. Het was dus wachten geblazen. Nou had ik in die periode een redelijk kort lontje en was nogal impulsief, juist dat gedrag had me al regelmatig in de problemen gebracht. Ook nu kwam weer in mij op dat het allemaal niet eerlijk was en dat iedereen daar schuld aan had, behalve ik zelf, natuurlijk! ( als u nu de conclusie trekt dat ik wel erg weinig zelfkritiek had in die tijd dan is dat volstrekt juist!)

‘De Boei’ was, wat je zou kunnen noemen, mijn stamkroeg in Den Helder. De eigenaren waren een gehuwd stel. Hij was werkzaam bij de marine en zat aan boord van een bevoorradingsschip. Zij runde de kroeg met haar zuster als hij weer eens op zee zat. Vaak, ’s avonds laat, hadden we hele gesprekken als de meeste klanten waren vertrokken. Vaak ook bleef ik hangen en hielp mee om de zaak op te ruimen en vertrok dan. In korte tijd bloeide een vriendschap tussen dit echtpaar, de zus en mij. Op een van de dagen dat hij weer op zee zat kreeg ik de eerste keer de vraag of ik niet wilde mee werken als ik toch vrij was in het weekend. Het leek me leuk en dus stond ik plotseling achter de bar.

Op het moment dat mij verlof geweigerd werd en niemand mij kon vertellen wat er van mij verwacht werd de komende tijd, was ik er helemaal klaar mee. Dat was het moment dat ik ’s avonds ging stappen en besloot om dan maar zonder toestemming met verlof te gaan. De beslissing nemen was een en de beslissing uitvoeren was een ander. Waar moest ik heen?

Naar Amsterdam, naar mijn ouders was geen optie. Mijn vader zag me aankomen! Naar familie op de Veluwe, in Wapenveld? Ook niet echt het episch centrum van de wereld in die tijd! Naar Maastricht, waar familie van mijn moeder woonde en waar ik altijd welkom was? Misschien was dat wel een oplossing. Eerst maar eens een slok halen. Ik ging op weg met een klein tasje met wat toiletspullen en schoon ondergoed en een paar truitjes. Ik kwam binnen bij “de Boei” Pauline, de eigenaresse, zag me binnen komen en zag dat mijn blik weinig goeds voorspelde.

“Wat is er met jouw” zei ze: “Je kijkt of er een dooie is gevallen? Toch niks ernstigs gebeurd, hé?”

Voor ik de kans kreeg te antwoorden, vroeg een klant alweer om haar aandacht. Ik zette me aan de bar en onder het bedienen door, werd er een vers glas bier voor me neergezet. “Hier, daar zul je wel van opknappen” waren de begeleidende woorden. Ik nam een slok en zat stilletjes te overdenken hoe het nu verder moest. Ik schrok wakker uit mijn gepeins op het moment dat een hardsgrondelijk gevloek omhoog kwam achter de bar vandaan. Pauline  was inmiddels naar beneden, de kelder in gegaan om een nieuw fust bier aan te slaan. Daarbij was iets mis gegaan en was haar hand, nogal pijnlijk bekneld geraakt tussen twee fusten. Ik stond op en liep om de bar heen, stak mijn hoofd door het leuk naar beneden en vroeg of alles goed was.

“Wat had je nou gedacht dat ik hier voor mijn lol sta te jodelen, nee natuurlijk is niet alles goed. Ik heb met mijn hand tussen die fusten klem gezeten en nou verrek ik van de pijn.” Ik daalde nu ook af naar de kelder. Ik zag dat het fust nog zachtjes stond na te pruttelen en dat er nog wat bier uitliep. “Zal ik dat eerst maar even in orde maken” zei ik wijzend op het verkeerd aangeslagen fust. “Daarna help ik jou wel even naar boven” Het antwoord bestond uit niet meer dan wat gebrom waaruit ik een zeker mate van instemming meende op te maken.

Het vatbier stond er weer goed onder en we waren samen weer boven. Toen we onze hoofden uit het kelder gat staken ontstak er een plagend applaus, alsof we de vierdaagse hadden gelopen. Eenmaal boven konden we de schade opnemen aan haar hand. Dat zag er niet goed uit. De zwelling maakte het aangezicht er ook niet prettiger op. “Misschien is het wel verstandig als je even langs het ziekenhuis gaat” opperde ik heel voorzichtig.

“Daar heb ik toch geen tijd voor!! Wie past er dan, in godsnaam op de winkel!” Nee, dat moet maar even wachten hoor.”

“Hou hem dan op zijn minst even in het ijs of in de spoelbak, zodat de zwelling geen kans krijgt! Ik tap wel even, heb toch niks anders te doen.”

Dat was dus het begin van ‘ongeoorloofd afwezig’ zoals de term klonk die daarvoor gebezigd werd binnen de marine. Pauline had meer last van haar hand, dan ze wilde toegeven. Ik had ‘verlof’, althans dat had ik haar maar verteld om een hoop vragen te voorkomen. “Heb je dan verder helemaal geen afspraken deze week? “ vroeg ze ongelovig.

“Nee niks dringends in ieder geval, dus ik heb tijd genoeg om je van de week even uit de nood te helpen. Ik kan alleen niet op de kazerne slapen want ik ben met verlof, dus……”

Uitpraten was niet nodig, “Dat is geen probleem de logeerkamer staat altijd klaar, dus daar kan je zo in van de week!” Opgelucht, dat de oplossing zo simpel was, haalde ze adem. Geen idee dat ik feitelijk onwettig afwezig was en dus heel dicht tegen desertie aan zat.

De eerste avond was er natuurlijk niks aan de hand, het was gewoon feest, zoals vrijwel elke avond. Zo’n tachtig procent van de klanten was marine personeel of had wel iets met de marine te maken. Ook een groot aantal vissers hadden “de Boei” tot stamkroeg gekozen. Na sluitingstijd werd opgeruimd en tegen drieën was het tijd om ter kooi te gaan. Ik voelde mijn kussen en was meteen vertrokken. De volgende morgen ging Pauline toch even langs het hospitaal. Daar was men er snel uit. De boel was flink gekneusd en rust was de beste optie voor herstel.

“Heb je echt niets anders te doen van de week?” vroeg ze me nog maar een keer.

“Heus, geloof me nou. Geen andere belangrijke zaken, dus ik heb alle tijd. Ik heb mijn ouders al geïnformeerd en ze weten dat ik hier ben om vrienden te helpen.” Loog ik er rustig oplos.

Pauline keek me aan en zei “Je hebt geen idee hoe je ons hiermee helpt, waar vindt ik anders zo snel iemand die kan inspringen.” Ik begon de ijskasten bij te vullen zodat de voorraad er weer koud bij stond. De bar schoon te poetsen en de hele mis en place op orde te brengen. Tegen het middag uur gingen de deuren open en waren we er klaar voor om de eerste klanten te ontvangen. Mijn eerste stappen in het horeca bestaan waren gezet.

Tegen half een zaten er zo’n man of tien in de zaak. Toen kwam Ron binnen. Ron was een van de mariniers die op de zelfde zaal sliep als ik. Ron deed een opleiding aan de sportschool en kwam elke middag terug naar Willemsoord om te eten. Een vaste tussenstop was café ‘de Boei’. Hij deed de deur open en wilde op z’n joviale manier een ieder een goede dag wensen. Halverwege zijn zin bleef hij hangen en keek me met stomme verbazing recht in de ogen.

“Krijg ’t apelazarus, ben je hier???” hoe kan dat nou?? Iedereen was in rep en roer van morgen toen je er niet was! Hoe kom je nou hier verzeild?. Ik gebaarde hem dat hij even mee moest lopen naar de andere kant van de bar en legde hem de hele situatie uit.

“Daar komt het grootste gelazer van, dat gaat niet goed komen hoor!” was het enige wat hij kon uitbrengen. Ik zei tegen hem dat ik verwachte dat hij zijn mond zou houden, “Wat een vraag, natuurlijk praat ik daar niet over. Maar ik kan je wel zeggen dat ik het allemaal niet verstandig vind!” Na twee pilsjes vertrok Ron, joviaal zwaaiend, werd me sterkte gewenst. “Ik kom vanavond, na het vastwerken, nog wel even een pintje halen. Hou maar een kruk voor me vrij!” en weg was hij.

Die middag verliep zonder verdere problemen, klanten kwamen en, klanten vertrokken weer. Tegen een uur of half acht ’s avonds begon de loop er weer in te zitten en werd het weer wat drukker. Pauline had zich op de hoek van de bar geposteerd zodat ze me met raad en daad bij kon staan. De omzet steeg door haar zware verstuiking, de hoeveelheid drank die men haar aanbood was voldoende om een delirium te veroorzaken. Tegen een uur of elf ging ze even naar boven. Opdat moment ging de deur open en kwamen er vijf mariniers naar binnen gelopen. “Verrek zit je hier?” het was een reactie waar ik zo langzamer hand aan gewend begon te raken.

Nadat ze zich aan de bar hadden genesteld en ik ze voorzien had van bier. Kwamen de vragen. Hoe, waarom, wanneer en hoe lang, waren de meest gestelde. Ik heb getracht uit te leggen wat me bewoog. De meeste vonden het allang best. Weer ging de deur open en daar stapte Ron binnen. Ron liep de andere maten voorbij en begaf zich zonder een woord te zeggen, naar de andere kant van de bar, waar geen mensen zaten. Daar aangekomen wenkte hij mij, dat ik naar hem toe moest komen. Ik ging naar hem toe en meteen begon hij: “Weet je dat de hele tent in rep en roer is? Weet je dat ze vandaag al bij je ouders zijn geweest, samen met de  Koninklijke Marechaussee. Ze zijn je gewoon overal aan het zoeken, hoor je!”

Ik moet zeggen dat ik het best benauwd kreeg. “Nou en mijn ouders hebben daar toch niks mee te maken? Ze kunnen dus hoogstens zien dat ik er niet ben, dus……”

“Rob, ik denk dat de problemen alleen maar groter worden als je niets laat horen” Ik was nog lang niet zover dat ik me daardoor liet overtuigen. Om de ‘boys’ te vriend te houden liet ik ze maar de helft van de rekening betalen. Alleen Ron wilde dat niet en betaalde gewoon het volle pond. “Je hoeft mij niet om te kopen hoor, ik houd ook zo wel mijn mond !” was zijn simpele verklaring.

Iedereen was vertrokken en ik was nog bezig met het schoonmaken van de bar, de gordijnen waren dicht zodat er niemand meer van buiten naar binnen kon kijken. Ik stond na te denken wat ik nu verder moest doen met de nu ontstane situatie. Ik zou in ieder geval morgenochtend even mijn ouders bellen om ze gerust te stellen en te zeggen dat met mij alles goed was.

Net op het moment dat ik de lichten wilde doven en me naar boven zou gaan begeven, werd er heel hard op de deur gebonkt. Ik schrok me rot. Niet zo zeer dat ik bang was voor een inbreker of zo, nee mijn eerste reactie was dat is de MP, ze zijn er achter waar ik zit en komen me halen.

Wat te doen, het kloppen werd luider en doordringender, niet open doen was dus geen optie. Ik liep langzaam naar de deur en liep me te bedenken wat voor verklaring ik zou moeten geven. Ik deed de deur van het slot en zag Ron staan. Druk gebarend dat hij naar binnen wilde. Dat was natuurlijk geen punt en er viel wat van me af dat het geen MP was.

Ron kwam met, wat je noemt, de deur in huis vallen! Zowel letterlijk als figuurlijk. Hij tuimelde naar binnen en struikelde over zijn eigen woorden. Ik maande hem tot kalmte want ik kon er geen touw aan vast knopen. Hij hees zich op de eerste de beste barkruk die binnen zijn bereik was en gebaarde naar de bierpomp dat hij wel iets kon gebruiken. Ik liep om de bar heen en tapte twee pilsjes. Ik zette er een voor hem neer en nam een teug van de andere. “Nou, vertel op? Wie gaat er dood??” riep ik een beetje spottend naar hem.

“Ja wacht maar vriend het lachen zal je wel vergaan als je hoort wat je allemaal hebt los gemaakt.” Nu was het mijn beurt om een beetje zorgelijk te gaan kijken. “Ja, daar mee is die zelf ingenomen grijns wel van je gezicht, hé! “ Hij schreeuwde het bijna uit. “Goed, nou ga je me eerst  eens het hele verhaal vertellen, ik snap er geen snars meer van wat je allemaal staat uit te kramen!”

“Ik kwam vanavond terug van passagieren en melde me bij de leerling v.d. wacht. De onder-officier van de wacht zat aan de telefoon en ik hoorde hem zeggen dat JIJ nog niet terug was en dat hij het onmiddellijk zou doorgeven als je je nog zou melden bij de wacht. Uiteraard was mijn nieuwsgierigheid gewekt en bleef een beetje hangen om te kijken of ik nog meer op zou kunnen vangen. De leerling gaf me een mok verse koffie en ik zocht een plekje achter in de wacht. Het gesprek werd vrijsnel beëindigd en de o.o.v.d. Wacht legde de hoorn neer. “die lul” was het enige wat hij zei. Pas toen kreeg hij in de gaten dat ik er ook nog was. Hij keek me aan en zei: “Jij bent toch zo goed bevriend met hem, jullie doen toch bijna alles samen? Dan weet jij vast wel waar hij uithangt? Kom op jonge, vertel maar eens even snel waar hij zit en je bespaart hem een hele hoop ellende!” Natuurlijk ontkende ik dat ik enig idee had waar je uithing, wat kon ik anders.

De onderofficier van de wacht was niet tevreden. Hij keek me dreigend aan en zei: “Jullie stomme varkens hebben geen idee wat je allemaal aan haalt, hé?” Realiseer je wel dat hij na 48 uur onwettig afwezig zijn geregistreerd staat als Deserteur en dat hem dan niets anders wacht dan de gang naar de Krijgsraad met alle gevolgen van dien!! Nee, daar denken jullie eikels natuurlijk niet bij na, hé? Jullie denken helemaal niet, daar zijn jullie te stom voor! Weet je toen wij nog……………………….” De litanie van verwijten en klagen hield zo’n dikke tien minuten aan, hij was op dreef en absoluut niet meer te remmen. Toen hij klaar was met het uithalen naar alles en iedereen maakte hij nog een opmerking die me aan het denken zette.

Vannacht zullen ze op vier plaatsen te gelijk gaan kijken of hij er is. In Amsterdam op twee plaatsen. In Maastricht en in Wapenveld bij zijn familie waar hij regelmatig komt. Het kan haast niet anders dan dat ze hem vinden.!!”

“Rob, je begrijpt toch wel wat dat betekend hé?” zei Ron bezorgt. “dat betekend dat er bij een hele hoop mensen vreselijke onrust zal ontstaan en zich zorgen zullen maken over je. Niemand weet immers waar je uit hangt en of dat het wel goed met je gaat! Denk daar maar eens even over na!” We hebben nog een paar uur zitten praten, het begon buiten alweer licht te worden. Ron had me in die uren van praten ervan weten te overtuigen dat het veel verstandiger was om terug te keren binnen de hekken van Willemsoord, dan om door te gaan met deze heilloze actie. We namen nog een kop koffie en tegen half zeven verlieten we de kroeg en gingen gezamenlijk op weg terug naar Willemsoord. Het hele avontuur liep eigenlijk met een sisser af.

Ik moest verschijnen op parade. De plaats waar bij de marine rechtgesproken werd door de betreffende commandant. Zoals de instructie luide hield ik twee passen voor het buro van de Commandant halt en bleef in de houding staan. Wachten totdat iemand de opdracht gaf om wat anders te doen. De commandant keek me aan en schudde zijn hoofd. Hij vroeg de Chef de equipage wat er nu eigenlijk gebeurd was. Die hield het erop dat ik onwettelijk afwezig geweest was gedurende een korte tijd. Vertelde in een adem dat al was besloten om me over te plaatsen naar Doorn, alwaar de heropvoeding plaats zou vinden. Dat deze overplaatsing vervroegd was en dat ik mij reeds aanstaande maandag, na het weekend verlof, daar om nul-negen-honderd uur moest melden. De commandant liet het geheel op zich in werken en dacht na.

“Ik begrijp dus goed dat ‘hij’ ,wijzend op mij, na vrijdag middag 16.00uur niet langer onze verantwoordelijkheid is?” De chef der equipage knikte instemmend en er verscheen een vriendelijk lach op zijn gezicht. “Goed” zei de commandant “ Sodemieter hem dan maar snel de poort uit, dan zijn we verlost van dat stuk ellende en nu eruit!” Dat laatste was duidelijk tegen mij gericht, ik maakte model rechtsomkeert en maakte dat ik de kamer uit kwam. Eenmaal op de gang, werd ik geroepen door de adjudant. “Marinier, hier komen”

“Het is nu 08.30 uur ik wil dat je aanstaande vrijdag gereed bent voor je overplaatsing , je meld je dan om 11.00 uur bij mij op buro, ik zorg dat alle papieren gereed liggen. Vragen? Geen vragen? Dan kun je inrukken”

Overplaatsing :

Om 11.30 die vrijdag morgen, vertrok de truc die me naar het station van Den Helder  zou brengen. Ik had nog snel gebeld naar “de Boei” om even te zeggen dat ik er niet meer zou zijn. Pauline bedankte me en zei dat ze het jammer vond dat het zo was gelopen. Op het station stond de trein gereed. Ik was in ruim anderhalf uur in Amsterdam op het C.S. Mijn ouders wisten nog niet dat ik onderweg was naar huis. De nacht dat ik weer terug was op Willemsoord had ik even snel gebeld om te zeggen dat alles goed met me was en dat ik later nog wel even zou bellen. Daar is dus niks meer van gekomen.

Met een zwaai gooide ik mijn plunjezak op mijn schouder en liep door de lange centrale gang onder het Centraal Station die de perrons verbind met de grote hal, in Amsterdam. Ik vervolgde mijn weg, de plunjezak als een lodenlast meezeulend op mijn rug, dwars door de hal waar het erg druk was op vrijdagmiddag. Veel reizigers die op vrijdag vroeger naar huis gingen maakte het tot een groot mierennest. Ik had het gevoel dat alle blikken op mij waren gericht. Niet op mij persoonlijk, maar wel op het uniform en daar zat ik nou eenmaal in. Ik stapte de grote toegangsdeuren uit en stond op het Stationsplein, ik liep richting middentoegangsbrug en ging die over. Ik stak de Pr. Hendrikkade over en wachte even voor het Victoria hotel op de hoek van het Damrak en de Pr. Hendrikkade. Genietend van de drukte die de, altijd bezige, stad met zich meebracht liep ik verder richting Dam.

Langs C&A en de “Gouden Leeuw” kwam ik aan op de Dam. Bij de Bijenkorf oversteken en meteen weer oversteken naar het Damplein waar de gedenknaald hoog boven een ieder uit stak. De brede trappen op , om van af de andere kant weer naar beneden te gaan en richting Damstraat te gaan. Ik baande me een weg door de menigte die de gedenknaald als ultieme plek hadden uitgekozen om te relaxen. Het was gezellig druk,  achter het monumentale gedeelte ging een gitaar speler schuil , die liedjes van Boudewijn de Groot ten gehore bracht. Begin van de Damstraat viel meteen de lange stoet mensen op die door de straat trokken. Iedereen had, kennelijk, haast!!

Ik niet, ik begaf me op mijn dooie gemak richting café “de Dam”. Aan de rechterkant van de Damstraat, gezien vanaf de Dam. Ik schoof mijn plunjezak met een hand voor me uit naar binnen en hield met mijn andere hand het zware velours  gordijn opzij, zodat ik er langs kon, zonder verstrikt te raken in het zware gordijn. Ik schoof de zware plunjezak achter de toegangsdeur, ik hoefde geen angst te hebben dat daar iemand ongemerkt ermee vandoor zou gaan. Ik zocht en vond een plekje achter aan de bar, nog voor ik zat had Piet, de barkeeper, al een colaatje Pils voor me neergezet en riep joviaal proost!! ……………. Deserteur !!!!

“Hoe weet jij dat nou in godsnaam? “  vroeg ik stom verbaasd. “Tja, das niet zo vreemd, hé vriend, als hier driemaal op een dag van die marine jongens met van die rood/witte potten op hun harses, komen binnen vallen om dat er een mariniertje is weggelopen waarvan het bekend is dat hij hier weleens rond hangt, tja dan weet de hele buurt wel zo’n beetje hoe laat het is, toch !”

“De tweede keer dat ze hier binnen kwamen vallen was rond het middaguur, je vader en je oom Jan en George zaten net hun boterhammetje op te eten. Gewoon zo als ze altijd doen in hun witte schilders kloffie. Ze waren aan het werk in de Bijenkorf en hadden schaft.” Zo ging Piet verder. “Die ene, die met grote letters MP op die pot had staan, vroeg of hij even boven mocht kijken of dat je daar soms zat. Hij liep door de kroeg naar de deur waar met sierlijke krul letters over duidelijk ‘privé’ op stond geschreven.

Hij had de deur klink al in zijn hand, toen hij in ene je vader zag zitten. Hij keek hem aan wachte even en zei toen: ‘Hebben wij elkaar al niet eens eerder ontmoet?’ Je vader keek hem diep in zijn ogen, draaide zijn hoofd een beetje schuin en zei: ‘Goh, das toch best wel sneu, jongen. Zo jong en dan al de eerste tekenen van Alzheimer!’  De MP liep rood aan en voor hij verder ook maar iets kon terug zeggen, was het je vader die weer het woord nam. Hij zei: ‘Ben je nou werkelijk zo dom dat je niet meer weet dat je gisteravond met alle geweld bij mij thuis, de vriend van mijn zoon wilde meenemen omdat je hem voor mijn zoon aanzag?? Of ben je gewoon zo onder de indruk van mijn witte overal dat het je niet meer helemaal helder neer is?

Trouwens, hier naar boven gaan heeft totaal geen zin, want ik zeg je dat hij hier ook niet is. Maar, dat zal wel weer niet genoeg zijn, hé. Je wil je natuurlijk, ten overstaan van al deze klanten bewijzen en dus ga je toch naar boven hé? Nou je doet maar !!’ De MP stond duidelijk in tweestrijd, moest hij nu zijn gezag laten gelden of moest hij zijn, verbale verlies nemen en vertrekken. Hij liet de deur klink los, waggelde wat van zijn ene op zijn andere been en riep in het algemeen dat ze het wel gezien hadden hier en dat ze er weer vandoor gingen. Meteen de daad bij het woord voegend vertrokken ze weer zonder ook nog maar verder om te kijken. “Je vader, vriend, was ‘not amused’ om het maar zachtjes uit te drukken. Hij zei later dat het toch niet gekker moest worden een zoon bij de marine en vervolgens de hele marine bij hem thuis en in de kroeg! Het was welletjes zo !”

Ik kreeg nog een pilsje voor gezet en vertelde het verhaal aan een ieder die het maar horen wilde. Ik zat met een van de vaste klanten te praten, met mijn rug half naar de deur toe. Ik merkte pas dat mijn vader binnen kwam toen hij me eigenlijk straal voor bij was gelopen. Dat kon niet anders, ik bedoel het is zo’n klein kroegje, ik zat in mijn uniform en er kwamen echt niet elke dag mariniers in Gala uniform over de vloer hier.

“Hé Pa” riep ik joviaal. Geen enkele reactie. Hij ging zitten aan het tafeltje dat helemaal achter in de kroeg stond. Piet had al een colaatje pils in geschonken en zette er een leeg borrel glas naast. “Ben je al zover” vroeg hij aan m’n vader. Die knikte alleen maar en Piet liet het witte vocht uit de fles Olifant het glas in lopen. “Ik vraag het maar even omdat je meestal eerst een pilsje wil en pas bij het tweede pilsje een borrel. Maar ik zag je binnen komen en dacht: Die is hard toe aan een borrel!”

“En dat had je dus goed gezien” Hij pakte het borrelglas op en sloeg met een kort gebaar in een keer de borrel achterover. Ook dat kon ik niet van hem. Meestal was het heel voorzichtig nippen aan zijn borrel, daarna een paar goedkeurende smakkende geluiden ten teken dat het smaakte en vervolgens liet hij dan de rest inhoud van het glas voorzichtig naar binnen glijden. Niet zo als nu, bijna schrokkend, nooit schrokkend altijd genietend normaal. Het voorspelde allemaal weinig goeds.

Piet was blijven staan, met de fles jonge jenever nog in zijn hand en wachte op wat komen ging. Mijn vader maakte een kort knikkende beweging met zijn hoofd, ten teken dat Piet er nog eentje moest inschenken. Ik zag dat duidelijk en riep tegen Piet, dat hij die van mij te goed had.

Piet zei tegen mijn vader: “die heb je van je jongen”

“Ik dacht het niet, daar ben ik voorlopig nog niet aan toe. Hij heeft me deze week genoeg kopzorgen bezorgt. Nee, zet hem maar gewoon bij mezelf op de lat!” Dit waren van die momenten dat ik uit ervaring wist dat ik beter mijn mond kon houden om erger te voorkomen. Na ruim een uur, minstens tien kopstootjes verder, begon mijn vader wat te ontdooien. Ik kwam terug van het toilet en er was inmiddels een barkruk vrij naast die waar mijn vader op zat. Een kort maar niet mis te verstaan tikje op de lege barkruk, maakte duidelijk dat het tijd was voor een verzoeningsgesprek.

O, denk nou niet dat dit diepgaande en hoogdravende gesprekken werden. Nee mijn vader volstond meestal met het melden dat ik me had gedragen, gelijk een stom rund. Dat dat beest er niets aankon doen, maar dat ik geacht werd mijn hersens te gebruiken ter voorkoming van problemen. Of ik dat maar even tot me door wilde laten dringen? Hoe kon ik zo’n vriendelijk verzoek nou in de wind slaan, laat staan weigeren. Ik maakte duidelijk dat ik er spijt van had dat zij, mijn ouders, zich onnodig zorgen hadden gemaakt. Ik beloofde plechtig om hem eerst in te lichten als ik ooit weer eens zo iets zou ondernemen. Hiermee was het pleit beslecht, er restte nog een onderdeel van het ritueel.

Hij sloeg zijn hand om mijn schouder, keek me aan en maakte een smakkend geluid dat meestal aankondigde dat hij iets te zeggen had. Dat geluid produceerde hij alleen als hij een borrel op had, hij bevochtigde nogmaals zijn lippen met zijn tong en sprak: “Zak!! Zo en nou lust ik die jonge borrel wel !” Hiermee was de zaak afgedaan wat hem betrof. Mijn vader had namelijk de gewoonte om niet al te veel woorden vuil te maken aan zaken die men toch niet meer kon veranderen. Het was een van zijn eigenschappen die ik door de jaren heen ten zeerste ben gaan waarderen.

Inmiddels waren er een paar uur verstreken, het liep tegen zeven uur ’s avonds en de glazen waren leeg. Dus de hoogste tijd om naar huis te gaan. Na wat heen en weer gepraat, besloot hij zijn bromfiets te laten staan. Het leek ons beide verstandiger en veiliger om maar gebruik te maken van het openbaar vervoer voor. Met lijn 13 waren we immers in geen tijd op het Mercatorplein.

We staken de Dam over aan de zijde van Peek en Cloppenburg liepen langs het paleis, we sloegen aan de zijde van het paleis rechtsaf en liepen aan de achterkant van het paleis langs ( of was het nou toch de voorkant?) op de Nieuwezijds Voorburgwal tot we ter hoogte waren van de tramhalte voor het Oude Postkantoor. We staken over naar de tramhalte voor “die port van Cleve” van oud her een van de chiquere restaurants in Amsterdam. Onder de abri was geen plaats, dus ik zette mijn plunjezak met een klap op de grond zodat hij tegen de halte paal aan kon leunen. Nu was het wachten geblazen op de tram. Verveeld stond mijn oude heer een beetje om zich heen te kijken. Binnen twee minuten had hij al drie keer verteld dat het wel erg lang duurde voordat die tram nu eindelijk kwam. Hij maakte net aanstalten om nog maar eens voor de vierde keer te beginnen over de veel te lange wachttijden in het openbaar vervoer, toen zijn oog viel op een zwarte diplomaten wagen die half op de stoep stond geparkeerd voor “die port van Cleve”.

De Admiraal :

Hij hield even zijn adem in, “Weet jij wat voor vlaggetje dat is, daar voorop op die zwarte kar?” Ik had er tot nu toe geen aandacht aan geschonken en moest even goed kijken. Tot mijn stomme verbazing zag ik dat het de auto was van de Commandant der zeestrijdkrachten. Het ‘vlaggetje’ zoals mijn vader het zo mooi beschreef, was niet minder dan de Admiraalsstandaard. Ik keek nog eens goed en zag dat er twee MP’s voor de deur stonden die de boel nauwlettend in de gaten hielden.

“Nou, kom op, ze zullen je toch op zijn minst wel geleerd hebben wat al die vaantjes betekenen.  Het moet wat met de marine te maken hebben want die twee dragen het zelfde uniform, als die twee knakkers die jouw kwamen zoeken.” Ik stamelde een beetje binnensmonds dat dat de Commandant der zeestrijdkrachten zijn auto was.

“Sta niet zo te mompelen , ik versta er geen woord van!” Dat dit mogelijk ook de bedoeling was ontging hem geheel. “Wat zei je nou?” vroeg hij me nogmaals met een wat dringender klank. “Het is de Commandant der zeestrijdkrachten Nederland, zoals dat zo mooi heet!” Dit maal duidelijk uitgesproken. De hoop dat hij me niet zou verstaan was dus al geheel vervlogen. “Mooi, dan ga ik eens even een praatje met hem maken over jou functioneren!”

Nog voor ik ook maar de kans kreeg om tegen hem te zeggen dat dat niet echt verstandig zou zijn was hij er al vandoor. Hij flitste tussen twee auto’s door in de richting van de ingang van “die port van Cleve”, keek nog even om en riep in mijn richting “Ga maar niet mee hoor, ik doe het wel eventjes alleen!”  Weg was hij, hij schoof langs de twee kleerkasten van de MP’ naar binnen, mij in complete verwarring op die tramhalte achterlatend. Ik kon geen kant op. Ik kon toch moeilijk mijn plunjezak pakken en naar binnen gaan in het meest prestigieuze restaurant van die tijd. Nog los van het feit dat die twee bomen van MP’s daar natuurlijk ook niet voor niks stonden.

Daar kwam lijn 13 aan. Even overwoog ik dat het waarschijnlijk het meest veilige was om gewoon in te stappen en weg te gaan, alsof ik er gewoon niet bij hoorde. Maar ja het was wel mijn ouwe heer, toch. Het hele verhaal had waarschijnlijk nog geen vijf minuten geduurd, mijn vader kwam naar buiten onder zachte drang van de twee MP’s. Ze duwde hem als het ware vooruit tot hij weer op het trottoir stond. Hij stak mopperend over naar de tramhalte.

“Goh, niet te geloven. Wat een vervelende man. Ik bood hem wat te drinken aan, trouwens die twee andere aan zijn tafel ook hoor, echt niet hem alleen. Maar de heren wilden niks. Nou ik heb ze even gevraagd of ik soms te min was om een borrel mee te drinken. Nou dat was het niet ze wilde alleen maar even met rust gelaten worden. En ik wil alleen maar even over mijn zoon praten, zei ik nog tegen hem. Maar niet voor reden vatbaar, hoor.

Een van die mannen gaf die kleerkasten een signaal en ik werd meteen opgepakt en ‘vriendelijk’ verzocht om het pand te verlaten. Toen ik dat weigerde werd ik bij mijn schouders gepakt, aan elke kant zo’n “bodybuilder”. Echt veel overredingskracht hoeven die dan niet meer aan de man te leggen. Nee, al hangend tussen die twee vleesgewordende kleerkasten, zweefde ik door de ruimte, Linéa recta naar BUITEN! Dus …………………… onverrichte zaken gaan we nu naar huis!

Thuis

Die vrijdag avond was het bijna acht uur dat we thuis aankwamen, mijn moeder was dolgelukkig dat ze mij zag. Met mijn vader was ze een stuk minder blij. “Waar zitten jullie nou? Je weet dat we zo viste krijgen en dan laat je me toch zo zitten darren??

Verder kwam ze niet, mijn vader onderbrak haar en zei:  “Ik wilde even met zijn baas praten” wijzend in mijn richting. “Het is dus niet gelukt, vandaar dat we zo laat zijn!” Mijn moeder was met stomheid geslagen: “Nou heb je in je hele leven alles bij elkaar gelogen met je smoezen waarom je er weer eens niet was. Maar ik moet toegeven, dit is een hele nieuwe!!

Ik trachtte mijn moeder nog duidelijk te maken dat zij nu wel de verkeerde conclusie trok en dat het allemaal klopte. Ze keek me wat getergd aan en zei: “Begin jij nu ook al met die flauwekul. Twee van die dwazen? Dat trek ik echt niet.”

Die maandagmorgen zat ik de trein naar Driebergen-Zeist en bedacht me wat voor een paar schatten van ouders ik eigenlijk had !!!