Mijn opleiding tot marinier

26-02-2012 07:21

De basisopleiding

 

 

Tijdens de eerste militaire vorming in de van Ghent kazerne, aan het Toepad in Rotterdam werd er een ‘marinier’ van je gemaakt.

In die tijd mocht je pas na 6 weken de eerste maal met verlof, leerde je respect te hebben voor alles wat ook maar een streep had op zijn uniform.Voor iedereen dus eigenlijk. Ook werden je begrippen al luisteren, exerceren, sport en wapen beheersing bij gebracht. Zware weken, maar ze zouden de basis vormen voor wat je verder nog te wachten stond binnen het korps. De basis opleiding in de van Gent kazerne was dus afgerond.

 

We waren marinier, althans dat dachten we. Na de basis opleiding was het gebruikelijk om te worden geplaatst in Doorn, de van Braam Houckgeest kazerne bood alle faciliteiten om van een stelletje ‘Baroe’s’ (vrij vertaald : nieuwkomers) echte mariniers te maken. Een volgende stap op de weg naar het volwassen worden, als marinier, was dan ook de specialisatie. Elke marinier moest een speciaal kunstje leren, voor ons was bedacht dat we aan het Mortier Peloton werden toegevoegd.

Mortier peloton

Ik werd, nog voor ik goed en wel wist wat een mortier was, al gekoppeld aan de grondplaat van dat ding. Een zware plaat van staal dat voor stabiliteit moest zorgen van de kachelpijp wat de feitelijke loop was.
“Je bent groot en je ziet er een beetje dommig uit”
Niet mijn woorden, maar die van de baksmeester (een korporaal die verantwoordelijk was voor een kleine groep mariniers) welke de indeling maakte van de mortiergroepen.

Natuurlijk werden we niet meteen naar de schietbaan gestuurd.

Nee, er moest eerst kennis worden opgedaan van die ‘pijp op benen’ Dus klassikaal werden geïnstrueerd over de mogelijkheden en onmogelijkheden van deze 81 mm mortierwerper.
Een ‘dummy’ werd eindeloos in en uit elkaar genomen. Elk onderdeeltje werd benoemd en elk onderdeeltje moest op de tast herkend worden. Pas toen we dat ding blindelings weer in elkaar konden steken was het tijd om maar eens buiten te gaan en te oefenen.

In het tentenkamp, naast de daadwerkelijke kazerne in Doorn, was de mogelijkheid om met oefengranaten te schieten. Die oefengranaten zagen erop het eerste gezicht niet uit.

Vol met grote gaten leken ze meer op verlopen Emmentaler kazen dan op de gevaarlijk granaten waarmee je de vijand (en als je niet op paste je eigen mensen) veel schade mee kon toebrengen. Door die granaten vol te proppen met doeken, en dus het remmende effect van die gaten te niet doen, kon je die krengen een behoorlijk eind weg schieten. Vanuit het tentenkamp was het zelfs mogelijk om, iets verder in het bos, het bankje van de Stamerweg te bereiken.

Niet alleen het schieten werd geoefend. Nee, veel tijd ging gepaard met het fysiek oefenen van het meeslepen van alle attributen die nu eenmaal bij zo’n mortier hoorden. Dat betekende met volle bepakking, je eigen ‘meissie’ ,zoals het persoonlijk wapen liefkozend werd genoemd, en het aan jou toegewezen onderdeel van het mortier een veldloop af werken. Diegene die het, verhoudingsgewijs, het makkelijkst had was hij die het richtapparaat onder zijn hoede had. De rest was allemaal maar dood gewicht en gewoon extra ballast.

Na dus alle onderdelen tot in den treuren te hebben geoefend, was het grote moment daar. We gingen naar de Harskamp om onze nieuw aangeleerde vaardigheden ook daadwerkelijk in de praktijk te brengen.

Met echte granaten schieten

Die ochtend verliep best een beetje gespannen. Voor de ouderen was het allemaal gesneden koek. Zij gingen, routine matig, hun gang. Wisten precies wat ze te wachten stond en werden daar niet meer koud of warm van.
Voor de groep nieuwkomers was het allemaal even spannend.
Dat specifieke gevoel wat je hebt bij alles wat je voor het eerst zelfstandig moet gaan doen, dat kennen we allemaal.

Het is net als met de eerste keer alleen fietsen. Je hebt al uren geoefend onder het toeziende oog van je ouders. Je vader week geen moment van je zijde en hield daarbij steeds zijn ene hand op het stuur en zijn andere hand onder het zadel. Zo’n gevoel van veiligheid, zekerheid.
Dan, plotseling, is het grote moment daar. Je wordt op de fiets gezet en, met een licht duwtje in je rug, wordt je voor het eerst alleen op pad gestuurd. Rijden op eigen kracht, laten zien dat je het kan.
Zo’n gevoel, dat je altijd bij blijft, maakte zich van ons ook meester.
In de wapenkamer werden de mortieren opgehaald en de benodigde kisten met munitie, de brisantgranaten, de echte dit keer. Niet die neppers waar we mee hadden geoefend, nee gewoon echte munitie, zonder gaten. Het hele boeltje werd in de klaarstaande trucks geladen en daar gingen we, de poort uit op naar de schietbanen op de Harskamp.

We kwamen aan op de plek waar we zouden gaan schieten en om het allemaal heel echt te maken werden we de truck uit gemikt en moesten we, voor mijn gevoel wel te verstaan, minstens drie km slepen met de verschillende onderdelen. De grondplaat was dus mijn ‘specialisatie’ en daar werd nog een soort van jutte zak bij op mijn rug bij gehangen met o.a. afvuurladingen etc..
Verder was de sergeant van mening dat ik best een handje kon missen om, samen met mijn maatje welke zich om de kachelpijp moest bekommeren, nog een kist met brisantgranaten tussen ons in mee te slepen.

Lopen door het mulle zand

Na een inspannende wandeling door het mulle zand waren we de plek waar het allemaal ging gebeuren genaderd. Geen tijd om even bij te komen. Niks van dat alles. Meteen vlogen de opdrachten in het rond. De plek waar we waren aangeland bestond uit een kunstmatig opgetrokken heuvel welke aan de voorzijde was begroeid en aan de achterzijde was voorzien van een betonnen borstwering. Die heuvel gaf voldoende dekking om uit het zicht van de denkbeeldige vijand te blijven. Die denkbeeldige vijand was niets meer of minder dan een compleet aan flarden geschoten ouwe tank die daar ooit was neer gezet als realistisch doel om op te oefenen met het schieten van scherpe granaten.

Het mortier werd een beetje links bezijden de heuvel op gesteld en instelling gebracht. Na het plaatsen van het richtgerij en het instellen was het geschut gereed voor de oefening. Nu was het tijd om de munitie gereed te maken. De munitie en de afvuurladingen werden achter de borstwering op de grond neer gezet.

De sergeant verdeelde de taken. Drie man werden aangewezen om de eerste schoten te lossen met alles wat daar bij hoorde. De horizontale- en verticaleninstellingen werden luid doorgegeven. Nu was het  wachten tot de sergeant alles gecontroleerd had. Vervolgens mochten we dan per groep drie granaten afvuren.
De groepjes werden verdeeld. Mijn maatje en ik bleven over, we kregen de ‘verantwoordelijke taak’ toegewezen om de afvuurladingen in het achterste van de brisantgranaat te schuiven en zo gereed te maken voor het afvuren.

Dat was dus best een vervelend klusje. Doordat de afvuurladingen eigenlijk net even groter waren dan de opening in de brisantgranaat, deden als snel de duimen verdomde pijn van wegen de kracht waarmee je heel voorzichtig die ladingen moest plaatsen. In de achterzijde van de afvuurlading bevond zich het slaghoedje dat de afvuurlading deed ontploffen op het moment dat deze de pin onder in de afvuurbuis raakte. Hierdoor werd de granaat dan ook afgevuurd.
Zoals gezegd, dat was verantwoordelijk werk, en diende met de meeste voorzichtigheid te worden gedaan. Je moest er immers niet aandenken wat er zo gebeuren als zijn afvuurlading af zou gaan terwijl wij met die granaat nog in onze handen stonden.

De afvuurladingen werden keurig uit de beschermende verpakking gehaald en neer gelegd op de borstwering, klaar om te pakken en te plaatsen. Daarnaast kwam dus een hele rij brisantgranaten te liggen. Zoals gezegd ik had de schone taak deze twee uiterst explosieve zaken met elkaar in harmonie te verbinden.

Mijn maatje en ik waren dus belast met dit serieuze werkje. Hij ontdeed de afvuurladingen van de verpakking en stak ze al half in de granaat, ik duwde ze met veel kracht in de granaat zodat ze een geheel vormde. Mijn maatje begon last van de kou te krijgen en van een zwakke blaas.
Twee zaken die elkaar dus niet verdragen.
Om van het ongerief verlost te worden moest hij vocht gaan aftappen, de kou had zijn blaas tot abnormale proporties opgeblazen. De rest, die niet direct betrokken waren, stonden rustig een eindje verderop een strootje (sigaretje) te roken.

Het plaatsen van die afvuurladingen was een ware aanslag op mijn duim. Na elke afvuurlading stond ik mijn hand te schudden als of mijn leven ervan afhing. Ik moest iets bedenken waardoor ik mijn duim een beetje kon ontzien want dit was niet vol te houden tot dat alle granaten waren gevuld.
Eureka, ik dacht de oplossing voor het zere duimen probleem te hebben gevonden. Ik stak de afvuurladingen half in de gereedliggende brisantgranaten en werkte zo de hele rij af. Er lagen nu zo’n stuk of twintig granaten klaar met half uitstekende afvuurladingen op de borstwering.
Nog eenmaal een poging om ze netjes met de duim erin te drukken totdat ze echt een geheel vormde met de granaat, maar weer die verrekte pijn aan die duim.

Dat moest beter kunnen. ik pakte dus een granaat met beide handen vast, stond half met mijn rug naar de betonnen borstwering, zwaaide de granaat naar voren en sloeg hem toen met een klap terug tegen het betonnen muurtje. De afvuurlading zat keurig op zijn plaats. Dat gaf de burger moed, ik had de manier gevonden om het op een simpele manier te doen, zonder dat mijn duim er nog verder onder zou lijden.

Goed, de gevulde granaat netjes op het muurtje gelegd bij zijn soort genoten en in een beweging de volgende granaat die uiteraard de zelfde behandeling kreeg. Ook deze werd met een krachtige slag tegen het muurtje geslagen en was klaar voor gebruik. Hij kwam dus ook bij zijn maatje te liggen op het muurtje. Nummer drie kreeg dezelfde behandeling.

Gevaar!

Op het moment dat ik nummer vier op pakte en reeds naar voren zwaaide om vaart te maken, drong het vaag tot me door dat iedereen weg was. Ik stokte in de zwaaiende beweging en bleef verstijfd staan met de granaat voor me als of ik een baby in mijn handen had.
Ik keek rond maar zag geen mens. Ik stond perplex.
Ik had geen idee waar ze in godsnaam allemaal waren gebleven. Op dat moment hoorde ik een vette brul, door een megafoon :

“BARLAGEEEEEEEEEE, >>>>  HIER KOMEN >>> NUUUUUUUU!!!!!”

 

Dat liet dus aan duidelijkheid niets te wensen over. Tot mijn stomme verbazing zag ik nu dat de hele groep achter de volgende borstwering was weg gedoken. Ik zag, na die brul van de sergeant, die koppie’s als een soort ballonnen omhoog ploppen boven de borstwering uit komen. Als een soort schietschijf kwamen ze omhoog en ik schoot in de lach omdat beeld dat zich voor mij ontplooide.

Dat lachen van me was niet de beste zet, ik liep inmiddels in de richting van de sergeant die me daar zo ‘vriendelijk’ toe opgeroepen had. Ik zag een groot rood hoofd uitkomen boven een groene gevechtsjas.

De kleur van het embleem van de baret liep dan ook feilloos over in de kleur van ‘s mans hoofd. Hoe dichter ik bij kwam des te harder begon hij te schreeuwen. Ik zal de woorden niet herhalen maar mijn vocabulaire is die middag aanzienlijk verrijkt !!

Toen ik hem binnen gehoorsafstand was genaderd begreep ik dat hij het niet eens was met mijn aanpak van de manier waarop ik de afvuurladingen plaatste. Ik maakte de fout om door te lopen tot ik binnen hand bereik was en kreeg me daar toch een drijver voor mijn harses waardoor die, niet al te grote, inhoud van mijn hoofd, danig aan het schudde was.
Op het moment dat die knal aankwam, hoorde ik hem zeggen:
“Klootzak, wat heb jij een mazzel gehad dat niet de hele zooi de lucht in is gegaan en wat ben ik opgelucht dat ik je die knal voor je kop kan geven”

Jullie zullen begrijpen dat mijn taak om de rest van die afvuurladingen in die granaten te duwen werd overgenomen door een marinier met grotere duimen. Ik kreeg de opdracht om voor allemaal een schuttersput te graven met een pioniersschepje. Dat putje kwam natuurlijk nooit af, of te klein, of te smal, of niet diep genoeg, of te diep, of……………. Kortom ik was lekker bezig !!

Aan het eind van de middag kwam hij bij me zitten op de rand van het ‘gat’. De sergeant keek me een hele tijd doordringend aan. Uiteindelijk nam hij het woord en zei:
“Begrijp je nou wat je hebt gedaan? Wat voor een risico je hebt genomen? Het gevaar dat je voor jezelf en voor je maten hebt veroorzaakt?”
Ik kon niet anders dan bedachtzaam knikken en mijn excuus aanbieden.
Ik kreeg een klap op mijn schouder:
“En nou als de sodemieter naar de groep en weg blijven van alles wat ook maar ruikt naar explosief!!!”

Ik werd met open armen en een paar flinke lachsalvo’s ontvangen door de rest van het peloton. Pas veel later heb ik mij gerealiseerd wat voor een risico ik had genomen. Je moet er inderdaad niet aandenken wat er had kunnen gebeuren.

Eenmaal terug in de kazerne was het tijd voor onderhoud, het zal niemand verbazen dat ik daar vrijwel in mijn eentje voor op draaide.