Halal vlees...............of toch gewoon diepvries

09-03-2012 06:58


Met Lijn 16

Stilstaan in de Ferdinand Bolstraat in Amsterdam achter een lossende slagerswagen. De bestuurder van de auto gooit een witte kap over zijn hoofd, kijkt mij recht in me gezicht aan en geeft mij een vette knipoog. Stapt de achterklep in en komt naar buiten met een half varken op zijn rug (nee, het begrip Halal bestond nog niet) en loopt, zonder verder nog om zich heen te kijken, de slagerij in. Door het etalage raam zie ik dat hij het varken op een hakblok gooit en gelijk een dampende kop koffie aanneemt van de winkelbediende.

 

Gelazer

 

Als ik dat zie, als bestuurder van de tram, dan zien mijn passagiers dat ook en het eerste dat bij me op komt is: “daar komt gelazer van” En ja hoor, de eerste passagier melde zich al naast me.“Ken je niet effe zegge dattie, die eikel, een beetje voortmaakt, dat ken toch niet zomaar !” Klinkt het in het onvervalst plat Amsterdams. Dat geluid kreeg dus onmiddellijk bijval van de rest van de passagiers. In geen tijd ontstond er een gekrakeel van heb ik jou daar. De toon was gezet, het was een schande dat ‘ze’ moesten wachten op een koffie drinkende slager. Ondertussen had de slagersknecht zijn bakkie leut op en maakte zowaar aanstalten om naar buiten te komen. Er ging een zucht van opluchting door de tram heen. Bijna bij de deur draaide de slager zich weer om en verdween weer ergens achter in de winkel. Het geroezemoes in de tram zwol weer aan tot orkaan kracht, een ieder sprak er schande van en de slager was inmiddels bijkans veroordeelt tot de status waarin ook zijn vlees zich bevond.

Haast

Uiteindelijk verscheen de slager weer bij de voordeur, tergend langzaam begaf hij zich naar de nog open staande wagen. Ik vond het wijzer om mijn voordeur gesloten te houden en de opgewonden passagiers niet de kans te geven om de slager te benaderen. Ik deed raampje, van de bestuurderscabine open. Het tumult in de tram was nu tot buiten te horen en deed de slager opkijken.  Ik riep hem toe: “Mijn passagiers hebben haast!” Hij keek de tram in, keek mij weer aan, haalde diep adem en zei:  

“Die van mij niet meer en ze zijn ook zo lekker rustig!” 

 

Hij draaide zich om deed de openstaande laaddeuren weer dicht en stak, bijwijze van afscheid, een hand omhoog, liep langs zijn wagen naar voren, stapte in en reed weg.  De man achter mij vroeg, met een rood hoofd van de opwinding, , op een pissige toon, wat of die 'bijgoochem' van een slager had geroepen.

Ik draaide me een beetje om, zag de volle tram en de passagiers en keek de man in met het rode gezicht  aan. Ik haalde diep adem en zei: " Hij zei: dat hij er erg veel spijt van had dat jullie even moesten wachten! “

 

Zou dat vandaag de dag ook nog op die manier kunnen worden opgelost?