Een zwervend bestaan deel 2

08-03-2012 14:05

 

Een nieuwe omgeving !!

Het Hotel–Restaurant “Perlenau” lag net even buiten de oude stadskern van het dorp. Het hotel droeg dus de naam van een beekje dat langs het hotel liep, ‘de Perlenau’.

In “de Perleneau” werd veel en vaak op forel gevist en, als de sluizen van het hoger gelegen stuwmeer werden open gezet, waren er wedstrijden wildwatervaren op dat anders zo rustig kabbelende beekje. Dat beekje veranderde dan langzaam in een woeste water massa. Het water ging dan zo te keer dat de kajaks de grootste moeite hadden om drijvende te blijven.
We waren uit Valkenburg met de trein vertrokken richting Aken.

Op naar Aken

Het ‘miljoenenlijntje’ was niet wat de naam suggereerde. Het materieel waarmee werd gereden op dat traject was van een dusdanig slechte kwaliteit dat er vaker uitval was dan dat ze op tijd aankwamen. De indringende olie lucht zorgde ervoor dat de ramen vrijwel altijd open stonden om nog iets van frisse lucht binnen te krijgen. Toen we, compleet door elkaar geschud, aan kwamen op het ‘Haupbahnhof  Aachen’ bleek dat de bus naar Monschau zojuist was vertrokken en dat de volgende over een uur ging. We kochten alvast een kaartje en kwamen erachter dat de bus niet verder ging dan het centrum van Monschau. Daar moesten we overstappen op de bus naar Trier, die zou dan wel even stoppen bij het hotel waar we naar toe moesten. Met het kopen van het kaartje waren ook onze laatste financiële middelen verdwenen. 

Paul zag me bedenkelijk kijken en vroeg wat er aan de hand was.  “Helemaal niks, gewoon helemaal niks. Ik ben een beetje moe van dat gehobbel in die trein. Dat is alles!” Ik probeerde zo zelf verzekerd als maar enigszins mogelijk was, over te komen. “Maak je nou maar geen zorgen over dat we geen geld meer hebben, we vragen gewoon een voorschot vanavond. Dan ben jij ook weer een stuk rustiger, hé!” was zijn reactie. Ik keek hem stom verbaasd aan, af en toe leek het wel of hij helderziend was.  “Mag ik je er even op wijzen dat het nog geen zins zeker is dat we ook worden aangenomen! Er zal toch echt nog wel zoiets zijn als een sollicitatie gesprek, toch ! Hou je er ook nog even rekening mee dat we wel eens niet aangenomen zouden kunnen worden?”

Paul koos ervoor om stomweg zijn mond dicht te houden en er het zwijgen toe te doen. De optie dat we niet zouden worden aangenomen beviel hem duidelijk niet. De bus kwam aanrijden en we stapte in, gaven onze tickets af aan de buschauffeur. Een aardige, wat oudere man. Heel vriendelijk vroeg hij of we op vakantie gingen naar Monschau. Toen we vertelden dat we gingen werken in Perleneau lichte zijn gezicht op en zei: “Dar bei die Holländer, das ist schön, nette Leute!”  Met de Bus van Aken naar Monschau voerde je over de 258. Het was eigenlijk een prachtige rit grotendeels door een mooi stuk natuur en een klein gedeelte via België, het gebied dat ligt boven Eupen in het Belgische deel van de Eifel.

Aankomst in Monschau

Bij aankomst in Monschau, de bus stopte in de Kirchstrasse voor hotel Graf Rolshausen, stonden we een beetje verward om ons heen te kijken. Elk een tas met ons hele hebben en houwen erin. Lopen was feitelijk de enige mogelijkheid. De buschauffeur wees ons de richting aan. Hij zag dat het enthousiasme om van start te gaan ver te zoeken was. Hij gebood ons even te wachten. Hij liep naar de zijn collega van de bus naar Trier, welke op het punt stond te vertrekken. Nog geen twee tellen later wenkte hij ons en gedwee liepen we naar hem toe. Hij had gesproken met zijn collega en zei:  “Voor koffie met taart, de volgende keer dat hij in de buurt is, wil hij jullie wel even afzetten. Dus snel erin want hij moet weg!”  De laatste etappe naar, wat we vurig hoopte, onze volgende werkplek, was aangebroken. Het was inmiddels over vieren in de middag. Als we niet werden aangenomen dan hadden we pas echt en probleem. Waar moesten we heen? Terug naar Holland? Zonder geld zouden we niet ver komen. Terug naar Monschau? Kijken of we daar aan de bak konden? Waar vindt je werk en onderdak om vier uur ’s middags??

Paul zag dat allemaal anders, de treinrit en de daarop volgende bustrip had hem kennelijk goed gedaan, hij was uitgerust en gaf aan dat hij er helemaal klaar voor was om te beginnen. Nou maar hopen dat de uitbater van het hotel er net zo over dacht. Maar daar zouden we snel genoeg achter komen.

Aankomst in hotel-restaurant Perlenau

De bus stopte ergens in een bocht een kilometer of vijf buiten Monschau. Er was hier dus niets. Gewoon niets. Alleen de weg en verder niets!  De buschauffeur gebaarde ons dat we uit moesten stappen. We keken elkaar aan met zo’n blik van ‘wat hebben we nu weer verkeerd gedaan’. “Hier müssen Sie aussteigen.” Riep hij met een grote glimlach op zijn gezicht. We begrepen er niets van. Er was geen hotel te bekennen, geen weg of afrit wat erop zou duiden dat er een hotel was. Kortom we stonden midden in de bossen in de omgeving van Monschau, ver buiten de bewoonde wereld, met een buschauffeur die van mening was dat we er hier maar uit moesten.

Uitstappen!!

Hij bleef maar roepen dat we eruit moesten en maar wijzen naar een bocht in de weg. De andere passagiers begonnen te morrelen en wilden verder. Er zat niet anders op dan uit te stappen. De deur van de bus sloeg met een klap achter ons dicht. Het geluid dat de motor van de bus produceerde, zwelde aan. De bus had duidelijk moeite om uit stilstand weer verder te rijden tegen de omhoog slingerende weg. Langzaam verdween hij uit ons beeld. Wat bleef was de stilte. Daar stonden we dan, geen idee wat we verder moesten. Plotseling het geluid van een auto die tegen een heuvel op reed. We keken verschrikt de weg af naar beneden, in de richting waaruit we waren gekomen. Wel het geluid maar geen auto te bekennen. Het geluid hield aan en plotseling, in de hoek waar ook de buschauffeur op had gewezen, kwam uit het niets een open jeep, uit het bos vandaan. Hij reed de snelweg op en verdween uit het zicht. We keken elkaar eens aan en zonder ook maar een woord te wisselen liepen we in de richting van waar de auto plotseling verscheen. Bij de plek aangekomen ontwaarden we een bord met een peil die naar beneden wees, een grote peil stond onder “Hotel-Restaurant Perleneau”. Ook ontwaarden we vanaf die plek een soort breed bospad dat naar beneden het dal in leidde. Duidelijk was dat we dus die richting op moesten. 

We liepen, met onze tassen op de schouders, naar beneden tot de eerste bocht. De weg vervolgde en daar was weer een bocht. Toen we daardoor heen liepen lag het dal, in volle glorie, aan het einde van de weg. Aan de rechterkant stonden wat gebouwen, met ook weer een groot bord erop met de naam van het Hotel. Beneden aangekomen maakte het pad een laatste draaiing van 180 graden en voor ons lag het hotel te schitterende in wat fluwelen licht van de late middag. De rust die dat plaatje uitstraalde werd gecompleteerd door het ruisen van de het beekje ‘de Perleneau’  waar het hotel zijn naam aan ontlede. Slechts het krijsen van weg vliegende vogels en het blaten van de schapen  deed de rust even verstoren. Het plaatje was er een vanuit een sprookjes boek. We stonden beide even te genieten van het beeld van rust, het contrast met het drukke en overbevolkte Valkenburg kon niet groter zijn.

We liepen langzaam naar de hotel ingang. We liepen de dubbele deur door en kwamen in een soort van halletje met een kleine balie. Rechts waren dubbele grote klapdeuren, waarvan er een gedeeltelijk open stond. Door die ruime kier was een zeer grote openhaard zichtbaar, zo eentje waar je in kon lopen. De openhaard was geplaatst in een zitkuil met een ronde bank waar zeker twaalf personen ruim op konden zitten. In de Openhaard stond een groot draaispit waar wel een heel varken aan kon worden opgehangen. De zaal was enorm en bood plaats aan de inhoud van twee touringcars. De zaal was duidelijk gebruikt. De tafels stonden nog vol met kopjes en schotels en de restanten van gebak. Links van de ingang was het restaurant gedeelte. De tafels stonden keurig ingedekt met ruim voldoende bestek, mooie grote wijnglazen, waterglazen , stoffen servetten op damasttafellakens en mesleggers. Het restaurant ademde klasse uit!

Helemaal leeg

Links, half achter de balie, ontwaarden we een ruime houten deur met daar boven het opschrift “HOTEL” dit liet dus niets aan duidelijkheid over. Er was weinig leven te bespeuren achter de balie. Als je een beetje naar voeren leunde kan je de doorgang zien naar de keuken. Ook daar was niemand te bekennen. Uiteindelijk maar een tik gegeven op de receptie bel. Het geluid klonk hel en schel in de stille ruimte waar we stonden. Net toen we op het punt stonden om nog maar eens een klap te geven op die bel, kwam er een klein meisje van een jaar of zes achter de balie vandaan. Ze vroeg in keurig Nederlands wat of ze voor ons kon doen. Paul vroeg haar of zij de baas was en of dat zij met ons het sollicitatie gesprek ging houden. Een beetje hautain, gaf ze aan dat ze haar vader even ging waarschuwen en dat we hier maar even moesten wachten. Onder het weglopen draaide ze zich abrupt om en zei, met een opgestoken vingertje:  "En pas op hé, nergens aankomen hoor!” We was ze ons weer moederziel alleen achter latend in de receptie.

Het wachten duurde, voor ons gevoel, veel te lang. Plotseling kwam er een klein, beetje gezet en kalend, mannetje te voorschijn. In een beetje waggelende pas liep hij achter de balie langs en langs ons heen. Hij liep de grote zaal in waar de openhaard was en rommelde wat achter de deur. Plotseling sprongen de lichten in de zaal aan en kon je zien hoe schitterend deze was ingericht. Het was een soort van uit de kluiten gewassen jachtkamer. Rijkelijk voorzien van alle trofeeën die herinnerde aan de braspartijen die hier ongetwijfeld plaats hadden gevonden.

“Neem plaats. Neem plaats. Blij dat jullie er zijn. Ik zal eerst eens even wat te drinken halen voor jullie, misschien een stukje taart erbij ? “  Zonde radem te halen ging hij verder:  “ Na die lange trip zullen jullie wel trek hebben, hé?  We eten hier meestal pas laat, als de gasten klaar zijn dan eten we met z’n allen in de keuken. Dus dat duurt nog even. Goh, ik vergeet me zelf helemaal voor te stellen. Ik ben de heer Jussen en samen met mijn vrouw pachten we dit Hotel van de familie Catsweiler. Catsweiler is de eigenaar van het Hotel-restaurant en de gebouwen die er nog om heen staan. De meeste grond hier is ook van hem. Je kunt wel zeggen dat de grond tussen het stuwmeer hier boven en het dorp Monschau van hem is. Verder heeft hij een redelijk grote brouwerij in Aken. Dus het bier dat we schenken is van de eigenaar.”
“Nou ga zitten, ik haal even wat te drinken en dan praten we even wat om te kijken of we het met elkaar kunnen vinden” zonder een antwoord af te wachten was hij weer verdwenen. Paul en ik stonden een beetje beduusd te kijken.  We namen plaats en wachten op wat komen ging. Als een wervelwind en met zwier plaatste hij de kopjes op tafel, de koek ernaast de melk en suiker stonden nog op een andere tafel en de taart werd voor ons neer gezet.  “Alles uit eigen keuken en met producten hier van het land, laat het je smaken!”

Gezelligheid kent geen tijd

Nadat we nog een beetje hadden zitten keuvellen en wat algemeenheden hadden gedeeld was het moment aangebroken om meer eens serieus te gaan praten over wat er van ons verwacht ging worden. Paul, keek de zaal rond en zei: “Als ik het zo zie kunt u wel een paar kelners gebruiken? Die tafels met dat gebruikte servies staat er al een tijdje zo bij. Net echt uitnodigend, toch? “ De heer Jussen keek een beetje verbaasd. Ik dacht meteen , je gaat toch die man niet de les lezen over het feit dat de tafels nog vol stonden met afwas, dat doe je toch niet in zo’n eerste gesprek. Vreemd genoeg scheen de heer Jussen daar helemaal geen aandacht aan te besteden. “Ik heb dus een kelner en een kok nodig, wie van jullie is de kok?”
Als door de bliksem getroffen, voelde ik me. In een flits zag ik ons al lopen naar Monschau. Door de donkere bossen, geen cent te makken, geen slaapplaats, geen eten. Dit ging dus helemaal verkeerd. Een kok en een kelner zocht hij. In Valkenburg hadden ze ons verzekerd dat het om twee kelners ging. Paul en ik hadden afgesproken dat of ze zouden samen aan de slag gaan of geen van beiden en dan zouden we samen verder zoeken. Waar moest dit nu eindigen. “Nou, vooruit, wie van jullie tweeën is de kok die de keuken gaat overnemen van mijn vrouw?”  Voor ik me goed en wel realiseerde wat er gebeurde, zei Paul:  “Dat ben ik. Ik ben de kok die u zoekt. Ik ga zorgen dat de klanten terug komen en Rob is de kelner die u zoekt!”

Ik keek Paul met stomme verbazing aan. Nou was hij plotseling nog kok ook. Ik werd gek. We waren nog niet binnen of daar begon het gedonder alweer. Ik dacht, waar haalt hij het vandaan. Natuurlijk kende ik Paul nog niet zo lang en met een slok op praat je niet zoveel over je verleden. Maar hij zou me toch wel verteld hebben dat hij ook koken kon, voordat we hier naar toe waren gegaan? Hij speelde dus bluf poker of had nooit aan mij verteld dat hij nog meer capaciteiten had. De eigenaar was hoe dan ook blij verrukt. In een klap en een kelner en een kok. Zijn dag kon niet meer stuk.

Aangenomen 

Ach om een lang verhaal kort te maken, we werden allebei aangenomen, Paul deed het gewoon erg goed als kok. Later die dag praatte hij me bij. Het bleek dat hij voor zijn echtscheiding zo’n vier jaar in een grote keuken had gewerkt in de stad waar hij toen woonde. Daarna had hij en zijn toenmalige vrouw nog een aantal jaren een klein bistrootje gehad. Zijn vrouw deed het bedienen en Paul was ook daar de kok. Op mijn vraag waarom hij dan had gekozen om kelner te worden kwam een simpel antwoord: “Kijk” zei hij “Kijk een keuken is een prachtige plek en kok is een prachtig vak. Maar in de keuken valt erg weinig te stelen en weinig te versieren. Dan moet je dus aan de voorkant zijn. Vandaar dus.”  “Het had toch wel prettig geweest als je me even had ingelicht wat me te wachten stond, ik schrok me rot!”  “Wat zeur je nou. We zijn aangenomen dus alles komt goed, toch?”
Aan de bak !

Onze gezamenlijke kamer was in een van de bijgebouwen. De kamer was voorzien van twee ruime bedden, een tafel en een paar stoelen en een grote kleerkast. Die kleerkast, die we moesten delen bleef grotendeels ongebruikt. Ik had mijn zwarte kelnerspak en nog een paar overhemden, sokken en onderbroeken. Paul zijn bezit was niet veel uitgebreider. We deelden samen nog een zwembroek waarvan niet meer erg duidelijk was van wie die nu eigenlijk geweest was. We kwamen boven en storten ons op het bed. We hadden met de heer Jussen afgesproken dat we ongeveer negen uur weer beneden zouden komen. Dan werden we voorgesteld aan de rest van de mensen die hier werkten. Tot die tijd hadden we de gelegenheid om de boel te verkennen. Paul zei dat hij eerst een douche wilde nemen. Ik ben naar buiten gegaan en heb eerst de directe omgeving verkend. Achter het gebouw waar wij sliepen ontdekte ik al snel een grote stal. De stal was leeg, maar zeg er wel bewoond uit. Toen ik door liep hoorde ik een hoop geblaat. De heer Jussen stond aan een hek de schapen te voeren. Hij keek me aan en knikte.
“Kijk maar even mee van af morgen wordt dat een van jou klussen die elke dag weer terug komen.  Het is niet alleen het normale kelner werk wat er van je verwacht wordt, nee, je bent ook verantwoordelijk voor de levende haven”  Ik lachte wat en zei: “Dus, en kelner en boer!! Dan heb ik nog heel wat te leren, hé !”  “Dat komt, dat komt echt wel vriend, ik heb niet het gevoel dat jullie ons snel weer zullen verlaten, toch?”
Ach, ik kon natuurlijk weinig anders dan instemmen.

Weer terug boven was Paul klaar en kon ik gebruik maken van de luxe van een eigen badkamer. De handdoeken, de shampoo en het zeep waren van het hotel. Zelfs scheermesjes behoorden tot de uitrusting die we aantroffen in de badkamer. Dat was toch een ongekende luxe, we hadden weken met een bot scheermesje gevochten en handdoeken gebruikt die eigenlijk tot op de draad versleten waren. Nee, hier zouden we wel even blijven. Tegen negen uur die avond melden we ons in het personeel verblijf in een hoek van de keuken. We kwamen binnen en daar zaten naast de uitbater, zijn vrouw en de twee kinderen ook nog Theo en Trödel.

De ober-kelner

Theo was de oberkelner in Perleneau. Ook was hij de laatste weken de enige kelner geweest en was heer Jussen hem af en toe te hulp geschoten. Theo verstond zijn vak, daar kon je echt niets van zeggen. Theo was een Duitser van de oude stempel. Theo vond het nog steeds ongehoord dat Duitsland de oorlog had verloren. Hij zat dan ook in een vreemde situatie. Hier liep hij, superieur aan alles en iedereen, maar in de werksituatie ondergeschikt aan een Hollander die toch echt de oorlog had verloren. Hij kreeg nu opdrachten van een “Hollander”, tja dat was wel eens anders geweest en hij kon zich daar ook maar moeilijk bij neer leggen. ’s Avonds onder het genot van een borrel (geen jenever, nee echte ‘doppelkorn’) kwam meer en meer de onvrede met de situatie waarin hij zat naar boven. Naar mate het drank niveau in de fles daalde, steeg de emotionele toestand van Theo naar een onvermijdelijk hoogtepunt. Dat draaide altijd uit in een confrontatie met de heer Jussen. Die daar dan weer een einde aanmaakte door Theo naar bed te sturen. Nu was Theo blijven hangen in wrok, maar een ding stond voorop. Als een loyale Duitser deed hij wat de baas zei. Stond dan mokkend op en zei dreigend “Morgen praten we wel verder, Güttennacht !! “  
Trödel was het kamermeisje en hulpje in de keuken. Simpel, maar ook heel plichtsgetrouw. We werden aan iedereen voorgesteld. Jussen maakte duidelijk naar de anderen toe wat de situatie was. Zo was het en zo moest het maar geaccepteerd worden. Paul en ik waren aangesteld en de volgende morgen begonnen onze werkzaamheden.

De dag zat erop. We stonden op en we namen afscheid van de mensen aan tafel. Na een ieder welterusten te hebben gewenst namen we afscheid. De volgende morgen zouden we worden geroepen daar we geen eigen wekker hadden. Met de deur kruk in de hand draaide Paul zich nog even om. Hij keek naar de heer Jussen en zei, of het de gewoonste zaak van de wereld was: “We zouden graag een voorschot op ons loon willen hebben, dat is zeker geen bezwaar hé?”  “Ga eerst maar even slapen, dan praten we morgen wel even verder” was het wijze advies van de uitbater!!  

Paul was al vroeg in de keuken verschenen, die volgende ochtend. Er lag een schone buis voor hem klaar en een grote witte koksmuts. Paul was zichtbaar in zijn element. Ik werd opgevangen door Theo.  Theo was een Oberkelner. Theo was halverwege de 60 jaar en had een doorleefd hoofd. Je kon aan hem zien dat hij had geleden onder het leven. Het enigste wat ik te horen kreeg was dat ik de tafels, welke niet meer bezet waren, kon leeg halen. Ik heb de eerste drie weken vrijwel alleen vuile tafels mogen opruimen en daarna weer in dekken. Bestek poetsen tot je vingers gaar waren was ook een van de klussen die hij me toevertrouwde. Pas toen dat allemaal vlekkeloos verliep mocht ik mee gaan serveren. Als ik iets niet naar de zin van Theo deed, dan nam hij me achter even apart. De eerste keer werd ik dan vaderlijk toegesproken, de tweede keer werd hij handtastelijk. Hij kon me op twee manieren laten blijken dat ik het niet goed deed.

De eerste manier was me van achter benaderen, uiteraard zonder dat ik hem hoorde aankomen. Om me dan met de wijsvinger tegen de oren aan schieten. Dat deed zo’n verrekte pijn. Hij kromde zijn middelvinger en hield die met zijn duim onder spanning. Dan liet hij zijn middelvinger wegspringen tegen de achterkant van mijn oor aan. Het gaf het gevoel of iemand je met een nietmachine bewerkte! De tweede manier was feitelijk nog gluiperiger. Met zijn, onafscheidelijke spier witte servet, sloeg hij me dan tegen de bovenkant van mijn dijbeen. Hij hanteerde de servet als ware het een zweep, de uitwerking was in ieder geval gelijk. Theo was een kei in zijn vak. Theo was als mens niet te pruimen. Theo was gewoon een Nazi van het ergste soort.  Althans zo kwam hij op mij over. Menig maal heb ik op het punt gestaan om hem naar zijn strot te vliegen, het is er nooit van gekomen.  Ik leerde in “no  time” het vak van restaurant kelner.

Thuis voelen

De eerste weken waren wennen, de kat uit de boom kijken zeg maar. Na verloop van tijd ging ik me steeds meer op mijn gemak voelen bij de familie Jussen in “Perleneau”.  Doordat we intern waren had je natuurlijk veel contact met de gasten van het hotel. Het was ons, de kok en de kelners,  ten strengste verboden om ons in het hotel gedeelte op te houden. De gasten moesten met rust gelaten worden en niet worden gestoord door opdringerig personeel. Zo was het streven althans. Ach je bent jong en je wil wel eens wat ! Nou gold dat niet alleen voor ons. Nee, dat gold ook vaak voor de bezoekers van het hotel. Vaak waren dat gezinnen met kinderen. Soms waren die kinderen de kinderlijke leeftijd al ontstegen en begonnen zich zelf te ontdekken. Vaak waren het de dochters die hier graag een beetje hulp bij wilde hebben. Ach en wat doe je dan als jonge jongen. Juist je bent en blijft behulpzaam op elk gebied. De kamers waar deze jonge dames vaak hun hoofd te rusten legde waren aan de achterkant van het hotel gesitueerd. De personeel verblijven waren, via het dak, verbonden met het hoofdgebouw waar het hotel in was gevestigd. Het was dus een koud kunstje om via ons dakraam, de goot en het dak, de kamers van het hotel te bereiken. Als je maar goede afspraken maakte dan kon je de ‘hulpverlening’ zonder enig probleem ten uitvoer brengen via de ramen van de hotelkamers. Meestal was je dan de volgende ochtend wel weer op tijd vertrokken voordat iemand ook maar iets door had. Soms ging dat weleens helemaal verkeerd.
Bij nacht en ontij

Nachtelijke bezoekjes

Ik herinner me nog twee zusters van een jaar of 24. Het eerste contact was wat schuchter. Wat gegiechel aan de ontbijttafel, wat besmuikt lachen in het voorbij lopen. Kortom allemaal signalen die erop neer kwamen dat ze wel open stonden om contact te maken. Eerst ’s avonds een stukje lopen langs het riviertje, een beetje flik vlooien op het weiland achter het hotel in de avond schaduw, ach, wie is niet jong geweest.

Uiteindelijk de afspraak gemaakt dat het vanavond dan maar moest gebeuren. Om tien uur sloot de keuken, het restaurant werd dan klaar gemaakt voor het ontbijt en daarna werd er dan nog wat gedronken met het personeel samen en werd de dag nog even door genomen. Normaal waren Paul en ik de laatste die naar bed gingen, alleen vanavond werden we beide overvallen door de slaap. Hevig vermoeid gaven we te kennen dat we erin doken want we waren bekaf. De heer Jussen maakte zich oprecht zorgen en vroeg of we niet iets onder de leden hadden. We gingen naar boven, naar onze kamer en wachten nog zeker twee uur voordat we in beweging kwamen. We hadden met de twee meisjes afgesproken dat we rond twee uur bij hen langs zouden komen. Ze zouden dan het raam aan de achterkant open laten staan zodat we erin konden.

Rond een uur was alles in diepe rust en was het moment aangebroken dan we ons op pad zouden begeven. Paul was de oudste van ons twee en had de meeste ervaring met het heen en weer gaan via de goten en de daken van de bijgebouwen naar het hotel gedeelte. Paul was duidelijk minder kieskeurig dan ik. Paul zijn stelling was dat ook de iets oudere dames het best naar hun zin mochten hebben. Ik hield het er meer op dat ik het wel prettig vond als de dames een beetje in mijn leeftijd categorie vertoefden. Op Paul’s teken stonden we op, we hadden de hele tijd gekleed op bed liggen wachten tot het tijd was om te gaan. Paul deed de deur van onze kamer open, hetgeen gepaard ging met een hevig gepiep van de scharnieren. Langzaam begaven we ons over de gang naar het grote raam aan de achterzijde van het bijgebouw waar wij geacht werden te slapen. Vlak voor dat raam was het toilet. Paul ging plotseling naar binnen, mij gebarend om te blijven staan. Het toilet werd door gespoeld. Plotseling realiseerde ik mij wat een hels kabaal dat geeft, zeker in het holst van de nacht.

Ik keek Paul stomverbaasd aan, weer liep hij langs me heen zonder ook maar iets te zeggen. Met een paar grote passen was hij bij de deur naar onze slaapkamer. Daar haalde hij de deur, tergend , langzaam nog een keer heen en weer en kwam weer terug naar de plek waar ik stond te wachten. In het voorbij lopen zei hij:  “Die ouwe hoort altijd alles, nou zallie denken ‘hij moest zeker pissen!”  Die ‘ouwe’ was in dit geval Theo. Theo sliep ook op de verdieping boven de stallen waar wij ook verbleven. We deelden met z’n allen het toilet en de douche. “Kijk nou denkttie dat een van ons is wezen plassen en zal verder geen argwaan koesteren.”  Hij opende het raam, zonder ook maar een bijgeluid te produceren. We glipten een voor een door het openstaande raam. Ik eerst Paul als laatste. Eenmaal buiten, in de goot, moesten we even wennen aan de omgeving, het was aarde donker. Paul sloot geruisloos het raam, in ieder geval zo ver dat als het nodig mocht zijn we onmiddellijk het hazenpad konden kiezen en in run weer naar binnen konden.

Langzaam werd een afstand van zo’n 20 meter, schuifelend door de goot, overbrugt. We kwamen nu aan op het meest gevaarlijke gedeelte uit het af te leggen traject. Daar waar het gebouw waar onze slaapplaatsen waren, grensde aan het hotel gedeelte was een zeer smalle richel. Die richel leidde naar een soort plateau waar je weer gewoon kon staan. Het schuifelen over de richel was een kunst op zich. Dik begroeid door algen was het spek en spek glad. Bij het nemen van die richel gleed mijn voet weg en ik verloor de grip op de gladde muur. De hand van Paul in mijn nek was voldoende om mijn evenwicht weer te herstellen. Een onderdrukte vloek en ik begon aan het vervolg. We waren nu aangeland op een klein plateau. Vanaf dat plateau moesten we als een paar ware berggeiten, naar boven tegen de gevel aan klimmen om het raam te bereiken. Nou lijkt dat moeilijker dan het in werkelijkheid was. De gevel bestond uit grof, gemetselde blokken steen. De voegen waren ruim en vormde als het ware een soort van natuurlijke trap omhoog. We klommen naar het raam waar de beide meisjes hun kamer hadden. Eenmaal boven aan gekomen was het bewuste raam gesloten. Tja , daar hang je dan. Tussen hemel en aarde. Een hele waaghalzerij om een gesloten raam te bereiken. Zachtjes kloppen bracht uiteindelijk resultaat. De gordijnen werden opzij geschoven en daar verscheen een van de beide zussen voor het raam, slechts gehuld in een niemendalletje! Ach dan was het toch allemaal niet voor niets geweest, die hele nachtelijke onderneming.

Juist op het moment dat ze aanstalten maakte om het raam te openen ging het grote licht in de kamer aan, het gordijn werd met een ruk gesloten. “Zijn jullie nog wakker??” De stem van de vader was te herkennen dwars door het gesloten venster heen. “wat doen jullie daarbij dat raam?” was de volgende vraag. Paul en ik lieten ons onmiddellijk een stuk omlaag vallen en gooiden ons plat op het kleine plateau. Het raam ging open en de vader kwam met zijn hoofd uit het vel verlichte raam, hij tuurde de donkere nacht in en zag……niets!

Het raam werd weer gesloten. Voor ons was niet meer waar te nemen wat zich verder in de kamer afspeelden. We hebben ongeveer een half uur roerloos op het platte dakje gelegen alvorens we heel voorzichtig aan de terug weg begonnen. Het leek ons niet echt verstandig om die nacht nog voor een tweede maal het contact te zoeken met de beide zusjes. Gevoelsmatig duurde de terug weg zeker drie keer zo lang als de heen weg. Eenmaal aangekomen bij het venster dat ons weer toegang moest verschaffen tot het slaapgebouw, bleek dat het raam dicht was. Dat het dicht was was nog niet het probleem, iemand had het raam in het slot gedraaid. Wat we ook probeerde, er was geen beweging in te krijgen. De enigste mogelijkheid was nu nog om ons te laten zakken langs een van de regenpijpen en zo te belanden in het struikgewas aan de achterzijde van het gebouw. Naast de reguliere begroeiing tierde het onkruid weelderig aan de achterzijde. Het was onmogelijk om alle distels en brandnetels te ontwijken, hetgeen een hels branden gevoel opleverde op elk plekje onbedekte huid. Snel om het gebouw heen naar de voorzijde. De deur in en de trap op, vlug voorbij de kamer van Theo, die in een diepe slaap lag. Snel naar bed voor de laatste twee uurtjes slaap die we nog konden mee pikken. Dat wat dus glorieus verkeerd was gegaan, lukte bij andere gelegenheden uitstekend en naar mate we de tocht vaker maakte werden we er ook steeds behendiger in.

een onrustige nacht

Die ochtend bij het ontbijt, gaf Theo aan dat hij best onrustig had geslapen. Hij was een paar keer wakker geworden van vreemde geluiden. Misschien was het wel weer eens tijd om de ongedierte bestrijding erbij te halen. Want als je ’s nachts wakker werd van de muizen die door het gebouw liepen dan was dat wel weer eens tijd. Paul en Ik keken elkaar aan, met moeite een lach onderdrukkend. De avonturen die ik samen met Paul beleefde vormen een apart hoofdstuk. Ik kan je verzekeren dat er geen dag, geen week voorbij ging of we belanden welweer in een of ander vreemde gebeurtenis.

vertrek Paul

Daar kwam vrij abrupt een einde aan toen Paul besloot dat het welletjes was. We zaten ’s morgens aan het ontbijt in de keuken en daar kwam Paul binnen met een reistas vol gepakt, om even te melden dat hij weg ging. Iedereen was met stomheid geslagen. Niemand, inclusief ik zelf niet, had dat zien aankomen. Paul had een andere baan. Paul werd privé chauffeur. In eerste instantie werkte die mededeling op de lachspieren van een ieder in de keuken aanwezig. Paul bleef een stoïcijnse blik houden en wel zo dat de een na de ander stopte met lachen. Hij begon iedereen een hand te geven en het beste te wensen. Ik kon nog steeds niet geloven dat hij werkelijk zou vertrekken.

Ik stond op en keek hem in zijn staal blauwe, een beetje waterige en troebele ogen, aan en vroeg:
“Je meent het hé? Je gaat echt? Zomaar zonder uitleg? Je gaat dus?” Ik was niet in staat om veel meer zinnigs te produceren.  “Ja” zei Paul, hij keek me aan, deed een stap naar voren en sloeg twee armen om me nek, bij wijze van afscheid. “Onder je kussen ligt een briefje, stel nu geen vragen meer, oké!”
Hij pakte zijn tas en zei: “de mazzel” en wilde zich omdraaien om te vertrekken. De uitbater van Perleneau stond nu ook op en deed een stap in zijn richting. “Dat gaat toch zomaar niet, Paul? Je kan ons toch niet zomaar laten zitten? Je hebt toch gewoon een opzegtermijn?

Ik betaal je geen cent uit als je nu zo weg gaat, hoor je? “ Bij elk woord dat hij sprak veranderde de kleur van zijn gelaat van vaal wit naar diep purpel. De mate waarin de verkleuring plaats vond stond gelijk aan de mate waarin zijn stemverheffingen toenamen en de woede de overhand begon te krijgen over de verbazing. “Dan hou je die paar rottige centen toch, ik heb genoeg bij elkaar gejat om die kosten te dekken hoor. Nou Tabé en de mazzel.”

Paul draaide zich om en liep dwars door de keuken, via de uitgifte ruimte en langs de receptie van het hotel, door het restaurant naar de uitgang. Daar aangekomen op het terras stopte hij. Zette zijn tas neer en rekte zich eens uit. Wij, de rest van het personeel, waren in de ganzen pas achter hem aan gelopen. De vrouw van de uitbater had zich inmiddels ook bij het gezelschap gevoegd en werd even bijgepraat door haar man. Ook zij verschoot, zichtbaar, van kleur. Nu het hele comité van afscheid buiten op het terras stond te wachten op dat wat komen ging, sloeg de verbazing om. De stemming onder het overige personeel werd wat giechelig. Een riep op Paul : “Sta je hier nou op de bus te wachten?”   “Nou” zei Paul “daar zit je nog niet eens zo heel ver naast!”

Ondertussen kwamen ook de ander gasten van het Hotel eens poolshoogte nemen van wat die oploop van personeel nou eigenlijk betekende. De gasten mengde zich onder het personeel en er ontstond een wat uitgelaten stemming. Een van de vaste gasten kwam van achter het hotel aangereden in haar grote zilver grijze jaguar. Solange van Salingen was haar naam. Solange was een maandelijkse bezoeker. Solange was de eigenaresse van een mode keten die zijn oorsprong vond in het Belgische Oostende. Solange bezat een groot aantal winkels diep in Duitsland en sinds jaar en dag overnachten ze, op zowel de heen weg als de terug weg, bij ons in het hotel. “Ach, kijk nou. Zelfs de vaste gasten komen met hun auto aanrijden om even te kijken naar je vertrek!! riep een van de kelners vrolijk. Solange stopte de auto vlak voor Paul. Ze maakte de kofferbak open en liep om de wagen heen, straal langs Paul, naar de receptie. Een van de jongens liep achter haar aan om haar koffer te pakken. Ze legde de kamer sleutel op de balie en gaf een teken dat ze klaar was. De jonge kelner pakte haar valies op en liep achter haar aan naar de auto.

Paul stond nog steeds doodstil midden op het terras toe te kijken naar het tafereeltje dat zich voor zijn ogen afspeelde. De koffer werd door de kelner in de achterbak gelegd, waarop hij de klep wilde sluiten. Met een hand gebaar gaf Solange te kennen dat dit niet hoefde. De Kelner kreeg wat in zijn hand gedrukt en nam afscheid van de gast. Solange draaide zich sierlijk om en deed drie stappen richting Paul. Ze stak haar hand uit met daarin de sleutels van de jaguar. Paul lachte een beetje minzaam, streek eens met een hand over zijn snor en nam de sleutels aan. Hierbij hield hij haar hand vast en boog zich wat naar voren. Ten overstaan van het voltallige personeel en de aanwezige gasten verzonken beide in een innige zoen die, voor mijn gevoel, een eeuwigheid duurde.

De monden van de aanwezige, zonder uitzondering, vielen diep open. Met stomheid geslagen gold voor een ieder die het tafereeltje waarnam. Paul maakte zich los uit de innige zoen, liep naar de auto toe en hield het portier open aan de passagierszijde  en liet Solange instappen. Hij gooide met een zwier het portier dicht. Hij liep naar zijn tas, die nog steeds op het terras stond, pakte deze op en plaatste hem ook in de achterbak van de auto. Hij sloot de klep van de achterbak en liep naar de bestuurders kant van de jaguar. Hij keek nog even over de auto heen en lachte uitdagend naar de achter blijvers. “Bonjour” was het laatste wat we van hem hoorde voordat hij het portier sloot en weg reed. Bij het gas geven vloog het grind in de lucht en waren de sporen als twee railsen in het grind goed zichtbaar.
Hij vloog de bocht naar links in, de weg volgend tegen de steile helling op die je uit het dal bracht waar het hotel lag. Nog eenmaal een zwaaiende hand uit het raam en weg waren ze, iedereen met stomheid geslagen, achter zich latend. Natuurlijk was mijn eerste gang naar boven, naar de kamer die ik al die tijd met Paul had gedeeld. Ik rende de trap op en gooide de deur open. Op mijn bed lag een opschrijf boekje, zoals dat door kelners werd gebruikt voor het noteren van de bestellingen. Onder het logo van “GATZWEILER PILS” stond geschreven:
“Rob, hb er genoeg van, Solange en ik vinden elkaar al maanden erg aardig. Ze heeft me gevraagd om met haar mee te gaan. ‘Ze gaat voor me zorgen’ heeft ze gezegd. Ik ga wat klusjes voor haar doen en wordt ook haar chauffeur. Zal dus nog wel regelmatig bij jullie langskomen op weg naar de Duitse winkels.
Ga je goed,
Paul”

ander verhaal 

Weer was ik met stomheid geslagen. Ze vinden elkaar al maanden lief? Hoezo? Ik weet wel dat er altijd iets sprankelde als we haar voorbij liepen, maar dat het zo ver ging, nee geen haar op mijn hoofd die dat vermoed had. Paul is nog twee keer terug geweest met Solange samen. Op door reis. Daarna hebben we beide nooit meer terug gezien. Waarschijnlijk riep het hotel toch te veel emoties op !!! Ik ben daar nog een tijdje blijven hangen. Totdat de verkering met mijn vrouw serieuzere vormen begon aan te nemen.

Maar dat is weer een heel ander verhaal. !!! zie deel 3