Een zwervend bestaan deel 3

08-03-2012 14:09

 

Verkering in Maastricht

Els, mijn latere vrouw, leerde kennen tijdens een van de weekenden dat ik samen met Paul, de collega met wie ik samen werkte in Monschau, in Maastricht de bloemetjes buiten gingen zetten. Na een tijd van onbezonnen feestvieren kwam ik wat tot rust en mijn gevoelens tegenover Els begonnen een serieuze vorm aan te nemen. In die periode had ik behoorlijk wat schuld opgelopen als gevolg van een te losbandige levensstijl. De ingrediënten drank, vrouwen en gokken stonden er borg voor dat ik was beland aan de financiële afgrond. Ik had met Els afgesproken dat als we werkelijk serieus verder wilden ik eerst orde op zaken moest stellen. Ik had aangegeven dat ik verwachte dat ik binnen 3 maanden de boel weer redelijk op de rails te hebben.

Hotel-Cafe “Stationszicht”

Ik moest dus onderdak vinden in de weekenden dat ik mijn lief opzocht in het Maastrichtse. Een goedkoop hotelletje zoeken, L’Empereur was ‘iets’ boven mijn budget.  Ik kwam terecht bij Ome Jan.
Ome Jan runde een hotel, schuin tegenover L’empereur in de Stationsstraat. Het hotel had de wervende naam, hoe kan het ook anders, ‘hotel-café Stationszicht’.  Als je vanaf het Station naar de binnenstad van Maastricht loopt, richting Servaasbrug, is het op de eerste hoek aan de linkerkant van de straat. De huidige naam is Hotel café Le Guide hetgeen in ieder geval meer suggereert dan de naam uit het verleden. Als je op de hoek staat van de Stationsstraat en de Alexander Battalaan en je kijkt naar het hotel dan zie je precies boven de ingang, op de hoogste verdieping, twee ramen in een soort van trapgevel daar was mijn vaste slaapplaats toen der tijd. Ik weet nog zo goed de eerste keer dat ik daar binnen kwam, het was op een vrijdagavond tegen een uur of elf ’s Avonds, begin 1973. Ik kwam op het Station aan met de laatste bus uit Aken. Vanuit Monschau kon je met de bus naar Aken en daarvandaan dus door met de bus naar Maastricht.

Daar stond ik dan op het plein voor het station van Maastricht de enige die ik kon was een nicht van mijn moeder maar in die tijd, na elf uur ’s avonds was dat ook geen optie om daar aan te kloppen voor onder dak. Niet dat dat een probleem zou zijn geweest voor hen, nee dat weet ik wel zeker. Ik was in het verleden wel op vreemdere momenten bij hun binnen komen vallen. Ik hield het altijd nog als optie in mijn achterhoofd. Mocht nou helemaal niets lukken dan kon ik altijd daar nog naar toe.

Ik liet het Station achter me liggen en begon dus te lopen, richting oude binnenstad van Maastricht. Ik had een kleine rugtas bij me met daarin wat toiletspullen en schoonondergoed. Eigenlijk dus mijn hele hebben en houwen van die tijd! Ik liep voorbij het grote etalage raam, aan de stationsstraat, van het hotel. Ik keek naar binnen en zag een aantal tafeltjes langs de wand staan. Ook voor de ramen zaten een aantal mensen aan kleine tafeltjes waarop een beetje verschoten persen lagen. Tegen de achtergevel was een bar, met een soort van luifel er boven, waar niemand aan zat. Links van die bar was een deur en op die deur hing een groot wit emaillen bord met de welluidende tekst ‘Hotel’.

In het midden van de zaak stond een grote leestafel met plaats voor wel een man of twaalf. Aan het hoofd van die tafel, met zijn rug naar de bar toe, zat een man van een kilo of 140 en ongeveer twee koppen kleiner dan dat ik was. Wat ik dus in de lengte heb had hij in de breedte, het gevolg was dat hij feitelijk twee plekken in beslag nam aan de kop van de stamtafel. Om hem heen zaten nog een man of zes, ze zaten te kaarten. Langzaam, heel langzaam ben ik de deur voorbij gelopen. Onder het lopen zoekend naar een prijslijst om er achter te komen wat een kamer per nacht koste. Nergens zo’n ding te vinden natuurlijk. Uiteindelijk alle moed verzamelt en het hotel betreden. De deur ging naar binnen toe open, de lucht van verschraald bier en jenever werd vermengd met die van goedkope sigaren en sigarettenrook en sloeg als een dikke deken om je heen. In het vale licht duwde ik het zwaar rode veloursgordijn opzij, dat daar hing om de eerste kou buiten de deur te houden.

het hotel

In een klap stond ik dus midden in het licht in de deuropening. Alle aanwezigen keken even op en bleven me aanstaren of ik een zombie was. Na een voor mijn gevoel eeuwigheid, draaide een ieder zich weerom en ging verder met waar hij mee bezig was. Gewoon of er niemand binnen was gekomen. Alleen de beer aan de kop van de tafel deed zijn mond open. ‘Kump efkes weier en deur toe’  klinkt het in onvervalst Maastrichts dialect. Ik begreep eerst niet wat hij bedoelde en een van de andere aanwezige draaide zich weer naar mij toe en zei: “je mot die deur dicht doen, der komt veel te veel kou naar binnen en dat willen we niet” het kwam op mij over als een Rotterdams accent. Vervolgens draaide er nog een zich om en riep `hé, je moet wel luisteren naar Ome Jan` met een accent dat me sterk deed denken aan het West-Fries uit de buurt van Medeblik. Tijd om me te verbazen over dit samenraapsel van dialecten kreeg ik niet. De man die , kennelijk, voor Ome Jan doorging en dus de uitbater was van het etablissement, wenkte me dat ik dichter bij moest komen. Schoorvoetend begaf ik me richting stam tafel. Hoe dichter ik bij kwam hoe imposanter de man aan het hoofd van de tafel werd.
Ome Jan

“Wat kan ik voor je doen” vroeg hij met de meest vriendelijke glimlach die hij in huis had. Ik keek even om me heen  en stond me af te vragen of ik meteen zou zeggen of ik een kamer wilde of dat ik gewoon eerst even een pilsje zou bestellen, om het nog even aan te zien. “Nou, weet je het al?“ bulderde het uit het diepst van zijn keel. “Mag ik een glas bier, alstublieft?” vroeg ik heel beleefd. Hij bekeek me heel indringend, keek naar mijn rugtas in mijn handen, bekeek me nog eens heel kritisch van top tot teen, vervolgens werden mijn kleren aan een inspectie onderworpen, hij keek me tot slot zolang recht in mijn ogen aan dat ik me er knap ongemakkelijk bij voelde. “Jij wil geen glas bier, jij zoekt een slaapplaats voor vannacht en je weet nog niet of je het gaat vragen of niet en dus bestel je een glas bier!” weer keek hij me heel doordringend aan, op zo’n manier dat ik niet anders kon dat stamelend uit te brengen. “Ja mijnheer, dat klopt!  “Waarom zeg je dat niet dan? “ de vraag werd zo gesteld dat duidelijk was dat hij geen antwoord verwachte.  “Een kamer kost fl.7,50 per nacht en als je morgen ochtend koffie wil en een broodje dat is dat nog eens twee gulden extra. Tap zelf maar even een pilsje, je ziet er naar uit dat dat je wel gaat lukken, dan kan je even nadenken over de prijs en dan hoor ik het wel. “ het gesprek was wat hem betrof beëindigd, hij pakte zijn speelkaarten weer op en zei: “Wie komt eruit?  Nou kom op dan, ik heb niet de hele nacht de tijd!”

Ik stond perplex. Wat nu te doen? Ik liep richting bar, aan de houding van de man had ik wel begrepen dat het hem menens was en dat ik zelf iets te drinken moest inschenken daar hij het duidelijk niet van plan was. Er bleef me maar een ding over en dat was richting bar en een pilsje tappen. Bij de bar aangekomen had ik al besloten dat ik hier wel wilde blijven. Eigenlijk was het best grappig dat een wild vreemde meteen door had wat ik wilde. Nog voor ik het hem zelfs kon vragen. Ik tapte mijn eerste pilsje in Hotel–Café Stationszicht.  Er zouden er nog vele volgen, alleen wist ik dat toen nog niet.
Hotel Perlenau

Zoals ik al eens eerder vertelde, ik werkte in die tijd in Hotel Perlenau. Het hotel-restaurant zelf stond zeer goed aangeschreven in de weide omgeving van Monschau. De eigenaar was een rijke bierbrouwer uit de omgeving van Aken. Het dal waar het hotel stond en de bosgronden erom heen waren allen zijn eigendom. Het landgoed strekte zich naar het noorden uit tot voorbij het stuwmeer en “de Talsperre” zoals de dam werd genoemd . Aan de andere kant werd het stuk grond begrenst door de autoweg tussen Aken en Trier en dat liep in westelijke richting door tot in het hart van Monschau.
Naast de vele partijtjes en partijen die hij hield voor klanten en vrienden kwamen er veel mensen, zeg maar de beter gesitueerden, uit de omgeving van Aken. Het waren allen mensen die de grote stad even wilde ontvluchten en genieten van de rust die het hotel en de omgeving hen bood. Vaak werd er aan een van deze bijeenkomsten een jacht gekoppeld en bleven ze overnachten in het hotel. Het hotel was dan weer even gewoon een privé domein geworden en waren alle 25 kamers bezet door de gasten en de familie Catsweiler. Tijdens deze bijeenkomsten stonden de meest culinaire hoog standjes op het menu. Ook de kwaliteit van de geschonken dranken ongekend. Onder het hotel was een zeer ruim gesorteerde wijnkelder waarvan een groot gedeelte was afgescheiden door een ferm uitziend stalen hek. De boel werd afgesloten met grote hangsloten die de indruk wekte dat ze nog uit de middel eeuwen stamde.  Die sloten gingen er alleen vanaf als er een speciale gelegenheid was. Dan kwamen de ‘echte’ wijnen op tafel. Wijnen die ik alleen maar mocht neer zetten. Niet inschenken dus, dat was voorbehouden aan de oberkelner. Wat ik wel mocht, van deze extreem plichtsgetrouwe kelner, was een pilsje tappen en uit serveren. Dat ging nog net, volgens de oberkelner van het Duitse hotel.
Weer terug in de realiteit

Mijn eigen pilsje

Ik zat aan een tafel in het Hotel–Café Stationszicht. Ik zat te genieten van mijn eigen getapte pilsje en te overdenken hoe ik dat nu verder  aan zou pakken. Ik had niet voor 1 nacht onderdak nodig, maar voor twee. Ik had Els beloofd om twee dagen te blijven, dus minimaal twee nachten…….   De stem van de eigenaar deed me terug keren naar de realiteit. “Hé, jij daar. Met dat Amsterdamse accent.  Ja, jij kom is even hier.” Ik keek nog even rond , maar het was echt tegen mij. Ik stond op en liep op de stam tafel af met mijn, bijna , lege glas bier in de hand.  “Wil jij wat voor ons doen? Gewoon even opnemen wat we willen drinken en dat even inschenken en brengen? Wil je dat ?”
Ik was te verbaasd om wat te zeggen, dus ook geen nee. Daar, maakte hij handig gebruik van en gaf aan dat het 4 pilsjes betrof en twee borrels en twee kruidenbitters. Zonder ook maar iets te zeggen nam ik de lege glazen van de tafel en liep naar de bar. Daar spoelde ik de glazen. Ik moest even zoeken en vond de vier borrel glazen. Ik zette ze klaar, nam de bier glazen en stond op het punt om de tap open te draaien en het bier te in de glazen te laten lopen. “Ik kom is even kijken hoe je het er vanaf brengt”
Hij stond voor de bar, hij was nog massiever staand als dat ik had ingeschat toen hij nog zat.  “Heb je over mijn aanbod nagedacht, voor die kamer ?”  Ik was zo geconcentreerd met het inschenken van het bier bezig dat ik stijf mijn mond dicht hield.  “Als ik kijk hoe je bier tapt dan doe je dat best aardig, ik geloof ook dat je niet erg royaal in de slappe was zit en dat de prijs voor de kamer je nog doet twijfelen, is het niet?”

Waar haalt zo’n wild vreemde man het vandaan, denk je op zo’n moment. Hoe kan hij dat nou zien. Hoe kan hij dat nou weten. Natuurlijk klopte het dat, laat ik maar zeggen, de bodem van mijn geld put duidelijk inzicht was. Twee nachten zou betekenen dat ik moest liften terug naar Monschau en dat ik me nog amper een kop koffie kon permitteren. Laat staan dat ik veel kon doen met Els. Ik stond nog wat schaapachtig te lachen. Van dat moment maakte Ome Jan gebruik.
“Ik zie dat je toch nog wel een beetje plezier hebt in het leven. Luister vriend, ik doe je een eenmalig voorstel. Je mag vannacht gebruik maken van de oude personeelkamer , helemaal boven in het gebouw. Het is niet groot en niet mooi. Wel schoon en er staat een goed bed. Morgenochtend kan je koffie krijgen en wat te eten. Het is nu half twaalf, we zijn tot 1 uur vannacht open. Er zijn niet veel gasten meer, nog een man of zes. Jij schenkt de rest van de avond de consumpties in, haalt het lege goed weg en ruimt de bar op, totdat de laatste naar bed gaat en zorgt dat het netjes is dan duik je er zelf ook maar in. Morgen ochtend praten we verder en voor vannacht reken ik niks. ”Hij stak een grote vlezige hand in mijn richting en keek me scherp aan “deal?”  Ik bedacht me geen moment en zei “deal”

Aan het werk

Ik schonk de consumpties in en bracht ze naar de stamtafel. Alle gasten pakte van het blad hun eigen drankje. In een mum van tijd was het serveer blad weer leeg. Ik nam het weg van tafel en begaf me weer naar de bar. Nog een aantal gasten kwamen een drankje bestellen. Onder het opruimen door raakte ik ingesprek met een van de klanten aan de bar.  “Je bent nieuw hier? Je bent hier nog nooit geweest? Waar kom je vandaan? “ Een stortvloed van vragen werd op mij afgevuurd. Ik wilde niet onbeleefd zijn en bevestigde dat ik hier voor het eerst was. Ik gaf toe dat ik van Amsterdam afkomstig was en dat ik op het moment in Duitsland werkte. De man leek niet echt bijster geïnteresseerd in mijn verhaal. Hij zocht eerder een opening om zijn verhaal kwijt te kunnen zoals zou blijken. Hij vertelde dat hij een kleine zelfstandige was die rondreisde als vertegenwoordiger van verschillende fabrieken in band, garen en knopen. Eens in de drie, vier maanden ‘deed’ hij Maastricht en omgeving. Meestal logeerde hij dan hier in het hotel.

Het was oud, maar schoon. Het was eerder nostalgisch dan modern. De borrels waren te betalen, de kamer was schoon en netjes. De ontbijten, die werden geserveerd,  vers,  eenvoudig en voedzaam en de prijs stemde overeen met wat hij te besteden had. Door voor dit hotel te kiezen hield hij voldoende over om ’s avonds nog even te genieten van de welverdiende slok. Dat gold eigenlijk voor 95% van de klanten van het hotel. De meeste waren vertegenwoordiger en als ze Maastricht aan deden dan sliepen ze bij ome Jan. Doordat ze er allemaal al jaren kwamen waren ze elkaar gaan kennen en gaan waarderen. Meestal bleven ze twee of drie nachten en sommigen bleven een hele week. Hij bleef meestal van woensdag tot en met de zaterdag en vertrok dan weer naar huis. Soms waren er ook, die het weekend over bleven en dan eens flink de bloemetjes buiten zetten. Uiteraard zonder dat moeder de vrouw dit wist. De controle per mobieltje bestond nog niet.

Na een geanimeerd gesprek stond hij op en begaf zich naar Ome Jan om welterusten te zeggen. Ook dat behoorde, kennelijk, tot de vaste rituelen van dit hotel. Een ieder die naar bed ging melde dit bij Ome Jan. Pas dan kon er blijkbaar van de nachtrust genoten gaan worden. Het was inmiddels tegen half twee toen ook de laatste klant afscheid nam van Ome Jan. Ik had de boel aan kant, de glazen gewassen en asbakken schoon en alle tafeltjes en stoelen recht gezet. Ik maakte mijn opwachting bij Ome Jan met de mededeling dat alles klaar was en dat ik ook graag mijn slaapplekje wilde opzoeken.
Hij zat nog steeds aan het hoofd van de stamtafel te nippen aan een half vol glas met whisky. Een fles Four Roses bourbon stond op een vaste plek achter de bar en hij was de enigste die daar uit dronk zoals ik later begreep. “Alles is aan kant, de tafels zijn opgeruimd de asbakken schoon, de glazen gewassen en weg gezet. Kan ik nog iets doen, anders zou ik er graag induiken?”   “Als je alleen de voordeur even wil afsluiten, dat is alles.”  Hij gaf de sleutel van de voordeur en daarmee een sleutelbos met zeker twintig sleutels.

“Goh, een gemiddelde gevangenis bewaarder zou jaloers op u worden.” zei ik met een hoofdbeweging naar de sleutelbos in mijn handen.  Een glimlach verscheen op zijn grauwe gezicht en dat maakte de uitdrukking meteen een stuk milder.  “Sluit nou maar af, het slot en de schuiven en doe dan ook even het licht uit voor in de zaak. Naast de deur links zit de schakelaar.” Ik deed wat ervan me gevraagd werd. Sloot de deur deed het licht uit, waardoor de zaak plotseling alleen nog werd verlicht door de verlichting van de bar achter in de winkel en de kaars die op de stamtafel stond. Ik liep naar Ome Jan en gaf hem de bos sleutels terug, ik stond op het punt om welterusten te zeggen, maar hij was me voor.
“Heb je zin om samen met mij nog een afzakkertje te nemen? Gewoon een slok voor het slapen gaan?”

Hij hield daarbij het vrijwel lege glas omhoog en stak het uit in mijn richting en keek me vragend, nee bijna smekend, aan. Het was een blik van iemand die er tegen op zag om alleen achter te blijven. Ik verrekte van de slaap, maar kon het ook niet over mijn hart verkrijgen om het hem, mijn weldoener, te weigeren. Ik zei dus dat dat goed was. Pakte het glas aan en liep naar de bar om nog wat in te schenken. Gelijk gingen mijn gedachten terug naar het Hotel waar ik werkte. Het was of ik in een soort dejavu terecht gekomen was. Het was of ik weer mijn eerste tijd in het hotel in Monschau herbeleefde. 
Afgedwaald naar Monschau

’s Avonds in Monschau, na het afronden van het diner, het opruimen van het restaurant en het weer dekken van de tafels voor het ontbijt zat het werk erop. De heer Jussen, de Nederlandse uitbater, pachtte hotel Perleneau  van de familie Catsweiler, de brouwer uit Aken. Hij riep dan de kelners en de kok naar het personeel verblijf om de dag af te sluiten.  Dat gebeurde meestal onder een pilsje met een glas ‘doppelkorn’ zeg maar de Duitse variant van een glas jenever. Ik kreeg dan van de oberkelner te horen wat ik allemaal verkeerd had gedaan die dag. Hij beschouwde het als zijn plicht om mij iets bij te brengen van het vak en dat gebeurde op de Duitse manier. Zeer “Grundlich” de man verstond zijn vak, tot in het extreme was hij op en top gastheer.

De ober kelner

Vaak op het vervelende af. Hij posteerde zich meestal in het restaurant op een strategische positie. Zodat hij het hele restaurant kon overzien en dus alle gasten, die aan tafel zaten, in de gaten kon houden. Zodra een van de gasten aanstalten maakte om nog iets van groente op te scheppen of het schaaltje met aardappelen wilde optillen, dan stoof hij erop af, griste dan het schaaltje meestal net voordat de gast het kon pakken, van tafel en vroeg dan met een mierzoete glimlach of hij ergens behulpzaam mee kon zijn. Af en toe gebeurde het weleens dat zowel de gast als hij tegelijkertijd het schaaltje met groente te pakken kregen. Dan ontstond er een soort twee strijd tussen de gast en de oberkelner wie het eerst zou opgeven. Meestal werd die strijd beslecht in het voordeel van Theo, zoals hij eigenlijk hete.

Theo nam dan het schaaltje, keek de man of vrouw diep, heel diep en doordringend in de ogen en melde “Lieber Gast, das ist meine Arbeit. Biete lassen sie das und las mir meine Arbeit machen!“ Deze tekst werd dan uitgesproken met een glimlach die net zo nep was als het vergeelde gebit dat hij droeg. Maar wel voldoende om de gast duidelijk te maken dat deze met zijn tengels van het servies af moest blijven.
Ook voor mij, als beginnend kelner had hij zeer strenge regels. Met het zelfde fanatisme waarmee hij de klanten van dienst wilde zijn, trachtte hij mij de beginselen van het vak bij te brengen. Dat begon al op de eerste werkdag. Ik mocht niet verder komen dan de passage tussen keuken en restaurant. Dat was mijn werkplek voor de eerste twee weken. Mijn werk bestond uit het pouleren van glazen, bestek en servies.  Dat werd dan net zo vaak afgekeurd als dat ik dacht dat het goed was. Telkens wist hij wel weer een vlekje of een spatje te vinden op de onderdelen die ik net klaar had. De eerste dagen ging dat op een rustige toon, hij sprak me dan vaderlijk aan en liet me zien wat er fout was. De daarop volgende dagen werd zijn taal gebruik grover. Hij verhief zijn stem als hij weer een s een plekje had gevonden dat niet naar zijn zin was. De tweede helft van de eerste week kwam daar ook nog eens fysiek geweld bij. Nou ja, fysiek geweld ! Ik kreeg een lel met het witte servet, dat hij altijd bij zich droeg als zijnde een vast onderdeel van zijn uitrusting. Hij hanteerde de servet dan als een soort zweep, wist dan feilloos mijn vingers te raken zonder dat hij ook maar iets stuk maakte van wat ik op dat moment in mijn handen had.
Later, in het restaurant zelf, ging het net zo. Eerst alleen tafels dekken. De volgende stap werd pas gezet als dat perfect was gedaan. Het uitserveren van de bij gerechten op precies de juiste plaats op de tafel en pas veel later was het zover dat ik ook de borden mocht binnen brengen en de gasten echt bedienen. De klappen die ik in dit proces opliep werden nooit uitgedeeld in het zicht van de gasten. Nee, de keuken was de plek waar ik moest zorgen dat ik uit zijn buurt bleef. Kwam ik per ongeluk binnen het bereik van zijn servet dan wist ik dat ik die middag met rooie oren door het leven moest. Met de punt van zijn servet wist hij exact het oorlelletje te raken, hetgeen voldoende was om de rest van de dag er aan herinnerd te worden wat me te wachten stond als ik een fout had gemaakt.

Ik heb heel veel van hem geleerd in die anderhalf jaar dat ik daar gewerkt heb. Niet alleen van het vak maar ook dat het verstandig was om een slok met de baas te drinken als die daarom vroeg. Je hoorde dan meestal wel wat nieuws en zeker als het niet bij een borrel bleef. Hoe meer drank in de man des te meer hij bereid was om prijs te geven, tenminste dat was de redenatie die Theo erop na hield.
Ome Jan zat te wachten

Toen ik weer terug liep, van de bar naar de stamtafel, met de twee gevulde glazen moest ik denken aan het advies van Theo, om toch vooral geen borrel af te slaan die de baas je aan bood en schoot in de lach. Gek eigenlijk, zo’n 200km verder golden dus gewoon de zelfde regels. Ik zette de glazen op tafel, schoof een stoel bij en zei: “zo daar zitten we dan!” en ik keek ome Jan aan met een blik van ‘laat maar horen wat je te vertellen hebt.’  Ome Jan nam een nipje van zijn glas, smakte een paar keer en genoot zichtbaar van het goudgele vocht.  “Ik heb je zo eens bezig gezien die laatste twee uur en ik heb het gevoel dat we wel door een deur kunnen, eh…….niet letterlijk natuurlijk. Met mijn 150kilo zou dat een godswonder zijn. Nee dat gaat niet lukken. Wat ik bedoel is dat ik het wel zie zitten met je. Ten minste als je beried bent om iets meer te vertellen over wie je bent en waar je vandaan komt. Ik wil weten wat voor vlees in de kuip heb. Dus barst maar los dan luister ik wel.”

levensloop

Een beetje verbouwereerd vertelde ik hem mijn korte maar hevige levensloop. Dat ik van school was afgegaan op 15 jarige leeftijd om naar de marine te gaan, tegen de wil van mijn ouders binnen de marine had gekozen voor het Korps Mariniers. Dat ik uit dienst was gekomen, veel eerder dan gepland. Dat ik onmiddellijk weer was vertrokken om te gaan werken in de Horeca in het zuiden van Nederland. Dat we uit Valkenburg waren “gevlucht” en vervolgens in Monschau terecht waren gekomen. Dat het leven in die periode een groot feest was geweest. Dat ik in Maastricht het meisje van mijn leven had leren kennen en dat ik geen cent te makken had en druk bezig was om mijn schulden af te lossen om serieus verder te kunnen met Els. Dat dit het eerste weekend sinds maanden was dat we elkaar weer zouden treffen.
Dat ………..tja, ik ging maar door en door en zat eigenlijk met verbazing naar mij zelf te luisteren. Daar zat je dan, midden in de nacht tegen een wild vreemde je hele levensverhaal te spuien. Binnen een halfuur had ik mijn hele hebben en houwen bij een wild vreemde op tafel gesmeten.

Ome Jan had ademloos zitten luisteren zonder ook maar een keer te onderbreken. Ik keek hem uitdagend aan en zei :  ”Zo dat was het en smijt me er nu maar weer uit!” Hij keek me wat verbaasd aan en zei: “Waarom zou ik iemand eruit smijten die zo open zijn verhaal doet. Niks hoor ik mag dat wel. Als ik het dus goed begrijp heb je verkering met een meisje hierin Maastricht en zul je dus regelmatig hier naar Maastricht komen, toch?” Ik knikte eens en zei:  “Ja, dat is wel de bedoeling. Ik mag niet bij hun thuis komen, dat vinden haar ouders nog veel te vroeg, dus we gaan veel de stad in. Ze moet om half twaalf thuis zijn, dan breng ik haar naar huis en heb nog de hele avond voor me.” Even was het stil, hij nam me in zich op en vroeg: “Ben je dan elk weekend in Maastricht ?” Ik schudde mijn hoofd en zei: “Nee, niet elk weekend. Ik zal proberen om het weekend hier naar toe te komen. Ik kan misschien wel slapen bij een nicht van mijn moeder die hier ook woont. Ik was alleen vanavond een beetje te laat om daar nog binnen te vallen.” Ome Jan dacht na, er verschenen een paar diepe rimpels op zijn voorhoofd en je zag aan zijn gezicht dat hij eruit was.

“Als we het nou eens zo doen, vriend. Je komt om het weekend naar Maastricht op vrijdag avond. Je slaapt dan van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag boven in de personeelskamer. Als je je Elsie naar huis hebt gebracht kom je hier naar toe en je helpt hier in de zaak verder tot sluitingstijd en je ruimt op, zeg maar wat je vanavond ook hebt gedaan. Gewoon de laatste paar uur van de dag vol maken. Je krijgt geen geld maar je bed staat klaar en je natje en droogje zijn geregeld. Je fooien mag je houden dus dat heb je zelf in de hand. Wel, hoe denk je erover, lijkt dat je wat?”
Ik hoefde me niet lang te bedenken. Ik zag het als een buiten kansje. Ik zei tegen Ome Jan dat ik het graag wilde doen maar dat ik nooit lang van te voren kon zeggen wanneer ik wel kwam of wanneer niet. Dat hing ook een beetje van de diensten van Els af. Els werkte bij de PTT inlichtingen dienst. Beter bekend als 008. Ik hoefde niet lang na te denken over zijn aanbod. Een beter voorstel kon ik me niet bedenken. “Wel, hoe zit het? Hebben we een afspraak?” zei Ome Jan. “We hebben een afspraak !!” Benadrukte ik.

De bovenkamer


Ik kreeg een sleutel mee die op een groot sleutelbord hing achter in de zaak, naast de deur waar met grote letters ‘HOTEL’ op stond. Op de derde verdieping lag de kamer, recht tegenover de trap. De trap die alle kenmerken had van een trap die werkelijk had geleden onder de vaak veel te zware belasting. Hij kreunde en kraakte aan alle kanten, even stiekem naar boven of naar beneden was er dan ook niet bij. De kamer had duidelijk overeenkomst met de kamer die ik in Monschau had en daar moest delen met de kok van het hotel. Ik maakte daar erg weinig gebruik van de paar uurtjes op een dag die ik over had werden besteed om een beetje bij te slapen. Sinds ik Els had leren kennen en we besloten hadden om serieus met elkaar verder te gaan had mijn leven een andere wending gekregen. In de periode die was voorafgegaan aan de tijd in Monschau was het eigenlijk alleen maar leven de lol geweest. Ook de eerste tijd in Duitsland had dat leventje zich zo voortgezet. Het gevolg was dat ik een enorme schuld had uitstaan en dat dat eigenlijk geen basis was om een relatie te starten. We hebben toen afgesproken dat ik zou gaan beginnen met het aflossen van de uitstaande schulden. Dat hield wel in dat ik naast het normale werk in het hotel, ook nog een baantje had aangenomen in een discotheek, net over de Belgische grens. In het plaatsje Eupen. Drie a vier nachten in de week werkte ik daar als kelner annex uitsmijter. s Morgens ontbijt , ’s middags de lunch en het terras, ’s avonds het diner en de bar en na afloop van het diner weer het indekken van de eetzaal voor het ontbijt van de volgende morgen in het hotel in Monschau.
Daarnaast nog eens de drie a vier nachten in de discotheek , tja dan blijft er weinig anders over dan de tijd die je nog hebt te gebruiken om een beetje bij te slapen. Dat was de dag indeling voor 7 dagen in de week. Dat gebeurde dus in de kamer in een van de bijgebouwen van het hotel. De kamer die zoveel overeenstemming vertoonde met de kamer in Maastricht. Dus  zo’n maand of drie bestond mijn hele leven alleen uitwerken, werken en nog eens werken met, als afwisseling, soms een paar uurtjes slaap op de meest vreemde plaatsen.

De volgende morgen werd ik gewekt door een harde brul in het trappenhuis. Ik keek op mijn horloge en het was inmiddels half tien. Ik sprong me bed uit, griste wat kleren bij elkaar, nam mijn toilet spullen en gooide die in de grote handdoek op de wastafel. Ik had begrepen dat er ergens op de gang een douche moest zijn en ging op zoek. De douche werd gebruikt door de bewoners van de vier kamers die zich op deze verdieping bevonden. Na een verkwikkende douche, vlug naar beneden. Daar stond op de grote stamtafel een simpel ontbijt buffet gereed en de meeste van de vertegenwoordigers zaten al te eten. Op sommige tafels stonden de gebruikte borden en kopjes nog ten teken dat er al verschillende gasten het ontbijt hadden genuttigd.

Ik pakte een bord wat brood en beleg en een gekookt ei. Een grote beker koffie maakte het geheel compleet. Met dit alles in de hand keek ik even de zaak rond en zag Ome Jan in de hoek alleen aan een tafeltje zitten. Ik ging naar hem toe, met mijn ontbijtje.

Een ochtend humeur

“Goede morgen” zei ik opgewekt. Een zacht diep gebrom was het antwoord dat ik kreeg. “Mag ik aan schuiven??” vroeg ik, terwijl ik de andere stoel al een beetje naar mij toe haalde en aanstalten maakte om te gaan zitten. “Moet jij weten!” was het onverwachte antwoord. Ik kon me nu toch ook moeilijk omdraaien en weg lopen, maar om nu zomaar te gaan zitten zonder echt welkom te zijn, was nou ook weer zo wat. “Ga zitten en let maar niet op mij, voor elf uur ’s morgens kan je maar beter niet te veel zeggen tegen me. Ik heb dan geen zin in gelul! Sommigen zeggen dat ik een ochtendhumeur heb. Dat is niet zo, ik wil gewoon rust, hoor je me! RUST”

Ik kon met moeite een glimlach onderdrukken. Daar zat hij dan 150 kilo chagrijn en met een stalen ponem en beweerde hij dat hij geen ochtend humeur had. Ik begon aan mijn ontbijt. Zwijgend met mijn blik strak op mijn bord gericht zat ik rustig mijn broodje en mijn eitje naar binnen te werken. Al die tijd geen woord. Ik had mijn ontbijt naar binnen gewerkt en wilde opstaan om nog een kop koffie te pakken. Moest ik nou vragen of hij ook nog een bakkie wilde of hield ik beter gewoon mijn mond. Hij had kennelijk gezien dat ik mijn kopje had gepakt en stak, zonder me ook maar een moment aan te kijken een grote hand naar voeren. Daarin een wat vergeelde beker met een lepel erin.

“Zwart, geen melk geen suiker!” het klonk niet vragend eerder dreigend. Ik raakte in de war. Was dit de man die me gister min of meer voor een parttime job had aangenomen de man die zo vriendelijke en zachtmoedig over kwam? “Alsjeblieft, …..? “ klonk het uit het niets. Ik schudde mijn hoofd, nam de beker aan en haalde koffie voor ons. Toen ik weer terug kwam aan tafel was er een spoor te bekennen vaneen glimlach op zijn gezicht. Hij had de krant terzijde geschoven en het leek alsof zijn stemming in een keer 180 graden was omgedraaid. “wat zijn je plannen voor vandaag?” vroeg hij joviaal. Ik was een beetje overrompeld door de humeur wisseling. Ik stamelde dat ik Els ging ophalen en dat we gezellig een dagje de stad in gingen. “Goed zo, heel verstandig, maak er maar een leuke dag van.” Ik keek hem aan en had het gevoel dat er nog wat achteraan kwam, maar het bleef stil. “Wat we gister hebben afgesproken, dat meende je toch wel, hé? Vroeg ik voorzichtig. Hij keek me nu strak aan en zei:

“jongen het leven is zo simpel. Bij mij is afspraak afspraak dus daar hou ik jou aan en jij mag mij daaraan houden. Zo simpel is het echt!” “Kijk je moet goed begrijpen dat ik dat niet alleen doe omdat je van die mooie blauwe ogen hebt. Nee, ik heb er zelf ook belang bij. Zolang als ik ’s avonds met die lui kan kaarten verdien ik er wat aan. Dan blijven ze zitten en bestellen regelmatig een drankje. Met het Amerikaans jokeren vul ik het zwarte potje een beetje. Kaarten kunnen ze niet, maar geld verliezen is kennelijk geen probleem voor ze. Kom er vanavond maar eens even bij zitten en let goed op wat er gebeurd, kun nog lachen.” Ik zuchtte opgelucht, de afspraken stonden nog overeind en het geld dat ik daardoor bespaarde kon ik nu gebruiken om met Els ergens een hapje te gaan eten en nog een bioscoopje te pikken. Ik vertelde dat tegen Ome Jan en vroeg er meteen bij of hij een goedkoop restaurantje wist in de buurt. Hij bulderde van de lach. “Dat is lekker, nou ga je het geld dat je hier uitspaart een beetje wegbrengen naar een ander tent!!” riep hij op hoge toon.

“Ik wil die Elsie van jou wel eens leren kennen. Ik zal een tafeltje voor ‘u’ reserveren en als ‘meneer’ tevreden is met  een uitstekende biefstuk met gebakken aardappelen, een salade en een goeie kop koffie toe dan zijn jullie van harte welkom. Kan jij je centjes in je zak houden en ik leer die ster van je meteen kennen. Ik wil altijd wel graag weten waar mijn personeel mee omgaat. Zullen we zeggen half zeven, dat mevrouw en meneer aan tafel kunnen gaan ??” We keken elkaar aan en schoten gelijk in de lach. “Half zeven is uitstekend” riep ik onder het weglopen. “Veel plezier vandaag en tot vanavond” en weg was ik.


Dagje Maastricht, bonnetje op de koop toe

Natuurlijk vertelde ik in geuren en kleuren aan Els wat me was overkomen die avond en wat de deal was die ik had gesloten met Ome Jan van het hotel. We hebben die dag door gebracht in het centrum van Maastricht, veel oude bekenden opgezocht uit de tijd dat ik nog regelmatig de Maastrichtse binnenstad als mijn terrein beschouwde. De tijd van veel stappen, weinig slaap veel drank en weinig eten en veel……………ach wat was dat nou ook al weer? We belanden aan het eind van de middag in “Café In Den Ouden Vogelstruys” op het Vrijthof in de oude Maastrichtse binnenstad. Het personeel kende ik nog goed uit de tijd dat ik nog in Valkenburg werkte en dat ons stapterrein de Maastrichtse binnenstad was. Tegen zes uur namen we afscheid en liepen via de Spilstraat, Grote Staat, langs de VVV aan de Jodenstraat en de Kesselsekade naar de Sint Servaasbrug. Aan de overkant van de Maas was het gewoon de Stationsstraat volgen naar het Caféhotel waar ik verbleef.
Op de hoek van de Lage Barakken en de Stationsstraat moesten we oversteken om aan de goede kant van de straat uit te komen. In geen velden of wegen was er verkeer te bekennen, het stoplicht stond wel is waar op rood voor de voetgangers maar er was niets te zien. Dus snel naar de overkant en op het trottoir weer hand in hand verder richting Centraal Station. Uit het niets reden in eens twee agenten op de fiets naast ons. Met het uitgesproken zangerige Maastrichtse dialect, werd ons gezegd dat we moesten stoppen. De ene agent stapte van zijn fiets en gaf die fiets aan zijn collega die hem netjes voor hem vast hield. Hij kwam op ons toe lopen en frommelde met zijn rechter hand aan de knoop van zijn linkerborstzak van zijn uniform.

“U begrijpt natuurlijk wel waarvoor ik u staande houd? Vroeg hij. “U zoekt u sigaretten en heeft geen vuur bij en nu wil u van mij een vuurtje hebben?? Zei ik met een brede glimlach. “Mijnheer heeft goede zin, mijnheer is een grappenmaker, mijnheer is van mening dat de regels niet voor mensen gelden van boven de grote rivieren?”  zei de agent met een gezicht van een oorwurm. Ik wilde mijn mond weer open doen om hem met een scherpe opmerking van repliek te dienen, maar…… Mijn Els was me voor en in het plat Maastrichts legde ze de agent uit dat ik het zeker niet kwaad bedoelde en dat we echt geen idee hadden gehad dat het licht op rood stond en ze beloofde plechtig dat we het nooit meer zouden doen. De agent was een beetje uit het veld geslagen doordat hij in zijn eigen dialect werd aangesproken en zich er helemaal op in gesteld dat we Hollanders waren. Snel anticipeerde hij op de nieuwe situatie.

“Goed” zei hij in het langzame zangerige dialect “Goed, ik zal het goed met jullie maken. Jullie krijgen niet alle twee een bon maar ik schrijf er slechts een uit. Zie het maar als een waarschuwing. Nadat hij mijn gegevens had genoteerd scheurde hij met een flamboyant gebaar de bon uit het boekje en hield die voor mijn neus. Dat is dan twee gulden vijftig, meteen te voldoen en graag gepast.” Er zat niets anders op dan het geld te betalen, ik had nog zegge en schrijven twee gulden en Els heeft toen die vijftig cent bijgelegd. Ik wilde nog iets zeggen maar met een ferme schop tegen mijn schenen ontnam Els mij de lust om nog maar iets te zeggen.

Tijd voor het diner 

Het laatste stukje naar het hotel hebben we zonder verdere kleerscheuren afgelegd. Ik hield de deur open voor Els en met mijn andere hand hield ik het zware rode veloursgordijn opzij, zodat Els naar binnen kon. Aan de stamtafel zaten een paar van de mannen die er gisteravond ook hadden gezeten. We werden gewogen en geschikt bevonden. Een van hen zei luid : “Goh, je hebt gelijk hoor, het is een kanjer!” Een ander riep “zou ze wel wat lusten” Ome Jan mengde zich in het gedoe. Gaf een klap op tafel en riep “Laat die kinderen met rust anders donder ik jullie er allemaal uit!”en zich half naar ons toe draaiend “Jullie zijn te laat, maar ik heb jullie tafel vrij kunnen houden”

Met een zwier wees hij in de richting van een tafeltje in de hoek van de zaak voor het grote etalage raam aan de Stationsstraat. Op tafel branden twee kaarsen, er lag een mooi wit schoon tafelkleed, twee borden precies in het midden van de zitplaatsen en het bestek keurig uitgelijnd langs het bord, het geheel werd afgemaakt met een keurig gesteven servet. Als je niet beter wist zou je denken dat het een sterren restaurant betrof. De wijn glazen glommen je tegemoet. Ome Jan ‘Hemzelf’ kwam op ons toelopen met een fles rode wijn in zijn hand. Aan de stamtafel werd gegiecheld, of het de eerste klas was van een meisjes lyceum, toen Ome jan hen passeerde. Onverstoord kwam hij in onze richting lopen. Bij ons aangeland maakte hij een elegante buiging, voor zover zijn corpulente lijf dat toe liet dan.
“Ik ben zo vrij geweest een uitstekende fles wijn te openen voor u, passend bij het gerecht dat u geserveerd zal worden. De wijn heeft ruim de tijd gehad om te ademen en is gereed voor consumptie, mag ik zo vrij zijn om uw glas te vullen? Pas nu viel me op dat hij een zwart kostuum droeg en over zijn linker arm een spier witte servet had hangen. De toon waarop hij sprak kwam overeen met de toon waarop Theo, mijn Duitse collega en leermeester, gewoon was te spreken. “Je lijkt Theo wel.” zei ik, met moeite een lach onderdrukkend. “Dat je maar weet dat ik wel degelijk heb opgelet toen je me gister het hele verhaal vertelde.” Zei hij lachend. “Daar heb ik geen moment aan getwijfeld”zei ik lachend.

We hebben heerlijk gegeten en erg veel plezier gehad die avond. Ik vertelde in geuren en kleuren het verhaal van die agent die ons zo nodig een bon moest geven , hetgeen weer resulteerde in een overvloed aan drankjes van de andere gasten, die het zo sneu vonden dat we die laatste knaak ook nog kwijt waren. Tegen kwart voor elf namen we afscheid van de overige gasten en van Ome Jan. We bedankte hem voor de geweldige avond. Hij keek op zijn klokje, wees op de wijzer plaat en zei tegen mij: “Je hebt precies drie kwartier om heen en weer te gaan naar St. Pieter, afscheid te nemen van je lieftallige schone en te zorgen dat je hier achter de bar staat. Stel me niet teleur, vriend. En jij, jonge dame, stuur hem op tijd weer hier naar toe hé. We wachten met smart op hem”

Afscheid nemen

Op de weg naar Els haar huis praten we honderd uit over hoe de avond was verlopen, we hebben er beide het grootste plezier aan beleefd. Ook spraken we af dat Els morgen naar mij toe zou komen. Om een uur of negen konden we dan samen ontbijten. Aangekomen bij de ouderlijke woning van Els stonden we voor de deur om afscheid te nemen zoals verliefde mensen dat nou eenmaal deden, doen en over jaren ook nog zullen doen. De eerste voorzichtige en tedere kussen werden gewisseld en we maakte ons op om over te gaan op het echte werk. Plotsklaps ging de deur met een ruk open en dat was het einde van een innig afscheid. Els werd gesommeerd om onmiddellijk binnen te komen en daar was feitelijk niets tegen in te brengen. Dat was het iet wat teleurstellende einde van onze eerste dag en avond samen na tijden.

Dankzij het abrupte afscheid was ik ruim op tijd terug in het hotel. De tafel in de hoek waar we zo intiem hadden gegeten was weer een gewone café tafel met een verschoten pers en een wat matte glazen asbak erop. Aan de stamtafel had een ieder weer zijn plekje ingenomen en de kaarten vlogen weer in het rond. Aan nog vier andere tafels zaten wat gasten en aan de bar zaten nog een stuk of drie wat oudere stamgasten.

Ik keek naar Ome Jan en riep, Goeden avond tegen niemand in het bijzonder. Ome Jan keek op en zei: “Je weet hoe het werkt, dus begin maar om even wat te drinken te brengen aan de tafel hier. Het ‘boek’ vind je achter de bar naast de pinda’s” Het boek was het grote boek waar alle gebruikte consumpties in werden genoteerd en wat eigenlijk dienst deed als vervanging voor de kassa strook. Het berekenen van een consumptie was erg eenvoudig en simpel alles koste gewoon een gulden. Frisdrankje , bier uit de tap en binnenlands gedistilleerd een gulden per consumptie. Als je wat bestelde of een rondje weg gaf dan werd dat op je viltje bijgeschreven in de vorm van een streepje. Vier rechte streepje en de vijfde er dwars door heen. Zo konden er heel wat genuttigde consumpties op een viltje.
Die avond vloog voorbij. Voor at ik er goed en wel erg inhoud riep Ome jan “tijd voor de laatste ronde” Ik had toen een paar nummers gevonden van Andre Hazes en ik zette dan het nummer “de hoogste tijd” in een hoog volume in.  Ook deze avond het zelfde ritueel als de avond ervoor. Nadat alles aan kant was zei Ome Jan, Kom vriend we drinken er nog een om het af te leren. Geroutineerd greep ik de fles en nam de glazen mee en zette me aan de stamtafel. Schonk onze beide glazen in en nam het mijne vast en hief het glas.
“Ome Jan, bedankt voor vanavond. Het was geweldig. We hebben genoten en echt plezier gehad.”zei ik gemeend.
“Weet je jongen, ook ik en de klanten hebben genoten van jullie. Het was tijd dat er weer eens wat gebeurde hier.

Eigenlijk zijn we allemaal een beetje ingedut. Ook de vaste klanten vinden het prettig als ze door je bediend worden. Dus we beleven er allemaal plezier aan. Mooier kan het toch niet!” Hij stootte zijn glas tegen dat van mij aan en zei “Op het leven” Ik knikte en sloeg mijn glas achterover. Ik stond op nam de glazen mee en zei welterusten. Ik liep naar de bar en spoelde de glazen nog even om, zette de fles drank terug op zijn plek en liep naar de deur die naar het hotel ging. Met de klink in mijn handen zei ik:
“O ja , Els komt morgen hier naar toe om een uur of negen. Is het goed als we samen ontbijten?
“Ga jij nou maar slapen, dat zien we straks wel. “
Ik ging, met veel gekraak naar boven en liet me vallen. Ik had een prachtdag achter de rug en sliep als een roos.

Het ontbijt

De volgende morgen werd ik wakker van het luide gekraak van de trap die naar de bovenste verdieping ging. Ik bleef liggen luisteren en genoot van het langzaam weer tot de levende terug kerende gevoel. Zo half slapend en half wakker zag alles er prachtig uit. Op het moment dat ik aanstalten wilde maken om mijn horloge te raadplegen werd er zachtjes op de deur geklopt. Ik reageerde verbaasd en bleef even stil zitten luisteren. Weer een paar korte tikken op de deur en een heel zachtjes “Rob ben je wakker?” klonk van de andere kant. Ik herkende de stem van Els.
“Natuurlijk ben ik wakker, riep ik met een overdreven frisheid en kon amper mijn ogen open krijgen. De deur is open dus kom maar binnen.” Ik begreep niets van het feit dat Els in enen bovenstond in het hotel.

De deur ging open en daar stond ze in het vale licht dat van de gang de kamer binnen viel zag ik alleen haar silhouet. Haar donker blonde haar viel over haar schouders, in haar handen had ze een dienblad met, zo te ruiken, verse koffie en wat croissants met kaas en marmelade. Ze lachte en zei:  “Met de complimenten van Ome Jan!!”  “Ik had beneden al een poosje zitten wachten op je en na mijn tweede kop koffie zei hij dat het misschien verstandiger was om je maar even wakker te gaan maken” Ze lachte, zette het blad neer op het kleine tafeltje en keek op haar klokje. “heb je enig idee hoe laat het is?” vroeg ze.
Ik knipperde wat met mijn ogen, die nog steeds moeite hadden om in de stand ‘open’ te komen. En ik zei: “Geen idee, maar ik denk een uur of negen. Dat hadden we toch afgesproken?”  “Het is bijna half elf! Je hebt je dus stomweg verslapen.” Ik was in een klap wakker. “Jezus, dan wat stom. Dat gebeurt me anders nooit.” Ik wilde gelijk uit bed springen en me aankleden.  “Doe is even kalm en wordt eerst eens even rustig wakker”, ze gaf me de beker koffie aan  en pakte een van de croissants op en vroeg wat ik er op wilde hebben. “Goh, dat is nog eens wakker worden. Koffie op bed eb geserveerd door de mooiste vrouw van Maastricht! Wat wil een mens nog meer? Mag ik ook nog kiezen wat ik op mijn croissant wil hebben, nou ik weet het wel. Ik wil jou op mijn croissant !!” Lachend legde ze de croissant weer neer, pakte mijn kop koffie weer uit mijn hand en zei: “Daar heb je toch geen croissant bij nodig?”
Het heeft nog zeker anderhalf uur geduurd voor we naar beneden gingen. Ik droeg het blad met koude koffie en de croissants en liep de keuken in om het daar weg te zetten. Ome Jan stond bij het aanrecht en keek me aan met een brede glimlach. “Kon ze je kamer niet vinden, dat het zo lang duurde? Terwijl hij naar het dien blad keek waarop de koude koffie stond en de onaangeroerde broodjes nog lagen, voegde hij eraan nog aan toe “Goh, geen trek ook zo te zien?”  Ik schoot nu ook in de lach, “Ja, ze heeft mijn kamer gevonden en ja, we hadden wel trek, maar niet persé in koffie!” “Dan is het goed jongen!” meer viel er ook niet te zeggen.

Ome Jan bedankt!

Bijna een jaar lang, heb ik daar om het weekend geslapen en soms ook weleens een paar nachten door de weeks. Niet alleen geslapen maar ook gewerkt en gewoon een leuke tijd gehad met ome Jan en de vaste gasten van het hotel. Die gasten leerde ik steeds beter kennen en kreeg een steeds nauwer contact met ze.
Toen Els en ik voorgoed naar Amsterdam waren vertrokken verwaterde het contact met de gasten en met Ome Jan.  De weekenden dat we naar Maastricht gingen bezochten we het hotel en dronken we vaak nog even een kop koffie met Ome Jan. Ook die bezoekjes werden steeds minder frequent en, zoals dat nu eenmaal gaat in het leven verwaterde het contact in het geheel. Ome Jan kreeg suikerziekte zodat zijn toch al beperkte bewegingsvrijheid nog verder af nam en hij meer en meer aan de stoel gekluisterd raakte aan het hoofd van de stamtafel.  We hebben hem nog uitgenodigd voor onze bruiloft. Eigenlijk wisten we wel dat hij niet zou komen. We kregen een officiële kaart van hem en alle stamgasten. Er zat een uitnodiging bij voor een weekendje Maastricht.
We konden gebruik maken van de officiële bruidssuite.
Omdat te onderstrepen hadden ze er een foto van die suite bijgedaan . Het was mijn oude kamertje waar ik veel, heel veel weekenden had door gebracht waarvan de meeste met Els.