een zwervend bestaan deel 1

08-03-2012 14:04

 

Je wordt ouder en hebt de behoefte om verhalen te delen. Je wordt ouder en merkt dat je evenredig aan het oplopen der jaren je geneigd bent om vaker achterom te kijken. De verhalen uit je verleden te delen. Je verleden te vergelijken met het heden. Te oordelen, op basis van verleden en heden, over de toekomst. Verhalen welke het soms waard zijn om verder te vertellen. Ik vertel mijn verhaal , mijn belevenissen niet zo als ze verlopen zijn maar zoals ik ze beleefd heb. Of het de moeite waard was ?? Oordeel zelf !! Deel 1

Maastricht is veranderd.

 

Maastricht, zoals ik dat ken, bestaat niet meer.
Het lommerrijke Maastricht van weleer zie je eigenlijk alleen nog als Andre Rieu met zijn Strausorkest optreed op een volgepakt Vrijthof.

Of als je op zondagmorgen een wandeling maakt over het Onze Lieve Vrouwenplein, door de Stokstraat, via het Bat, naar de oever van de Maas. Om dan via de Maaspromenade onder de St. Servaasbrug door te lopen en uit te komen bij rederij Stiphout. Dan laat Maastricht haar ‘oude’ gezicht nog even zien. De eens zo glorieus aanwezige Sfinxfabrieken staan er al jaren troosteloos bij en bepalen de trieste aanblik van wat eens een stuk industriële trost was. De Markt en het Mosa-Forum zijn het toefje slagroom op de vlaai. Te lang heeft het geduurd voordat de werkzaamheden daar waren afgerond. Maar het resultaat mag er wezen.

Kaffee/Koffiehuis “ ’t Lámke” , bij “Mathijs” waren de plekken waar ik graag rondhing, Net als “in den ouden Vogelstruijs” aan het Vrijthof, “de Tribunal” en de “Upp-quelle” achter het oude V&D, de meesten bestaan nog en stralen nog steeds dat ouwe vertrouwde gevoel uit.

Natuurlijk is er geen stad op deze wereld die, ook na 40 jaar, nog het zelfde is. Net zoals dat alle mensen in de loop der jaren veranderen, veranderen de steden mee. De mentaliteit van de mensen is veranderd en dat veranderd ook het karakter van de steden waarin die mensen wonen.
In de tijd dat ik met Maastricht in aanraking kwam was het nog de stad die het beste van verschillende landen bijeen bracht.
Het Bourgondische vanuit Frankrijk en België trof je hier aan.Het sjieke van uit de Franse hoofdstad, Parijs.
Het overvloedige vanuit het Duitse en Luxemburgse achterland.
Maar ook de nuchterheid van het Hollandse platteland.
Daar tussendoor heeft de Maastrichtenaar een eigen cultuur geschapen, opgebouwd uit de beste onderdelen vanuit de directe omgeving. Een cultuur waarbij je je geen buitenstaander hoeft te voelen.

In die tijd leerde ik mijn toekomstige en huidige vrouw beter kennen. Ik  leerde niet alleen haar beter kennen, het ging verder. Er bloeide ‘echte’ liefde op tussen ons.
Het jonge meisje uit Maastricht en de jonge jongen uit Amsterdam.
Het meisje dat zichzelf en het leven begon te ontdekken en nog geen net geen 20 was.
De jongen, van de zelfde leeftijd, die al met ruime teugen van het leven had geproefd. 
Het meisje opgegroeid in het nette en katholieke zuiden van ons land.
De jongen opgegroeid in het ‘Sodom en Gommora van het noorden’, zoals Amsterdam toen in het zuiden bekend stond. Een groter contrast was nauwelijks denkbaar.

Echte liefde

Els, zoals mijn toekomstige vrouw hete, woonde op Sint Pieter. Een wijk van Maastricht gelegen tegen de noord-oostelijke helling van de Sint Pietersberg. Net achter de westelijke oever van de Maas en op een steenworp van België. Een van de ‘betere’ buurten.
Ondanks dat het ouderlijk huis van Els ruimte voldoende bood, was het ‘niet gepast’ om daar te blijven slapen. Zeker in die begin fase van onze opbloeiende liefde ging het contact met de schoonfamilie niet verder dan tot op de hoek van de straat. In een later stadium was de voordeur het hoogst bereikbare doel.
Pas toen we echt verkering kregen mocht ik ook regelmatig de huiskamer betreden en werd ik uitgenodigd om te blijven eten. Op het moment dat we vergevorderde plannen hadden om ons te verloven, kwam de binnenkant van die voordeur echt inzicht.

Blijven slapen was er nog steeds niet bij, dat was alleen weggelegd voor diegene die zich reeds een plaatsje hadden weten te bemachtigen in de familiekring door te trouwen. Maar zelfs toen we eenmaal getrouwd waren werden er nog pogingen in het werk gesteld om ons de nachten gescheiden van elkaar te laten doorbrengen. Ik kan me nog zo goed herinneren dat we het eerste weekend in Maastricht doorbrachten na ons trouwen en dus de eerste keer samen zouden overnachten in het ouderlijk huis van Els. Na de aller hartelijkste begroeting werden we naar boven begeleid waar de slaapkamers zich bevonden. Op de overloop op de eerste verdieping hield mijn schoonmoeder plotseling stil. Ze draaide zich met een vloeiende beweging om en keek Els diep in haar ogen. Quasi grappig, maar met een bloedserieuze onder toon, sprak ze Els toe:
“Jij wilt natuurlijk veel liever in je eigen kamer slapen hé, alles staat klaar hoor kind, je kunt er zo weer in.” Hierbij mij totaal negerend, of ik niet bestond.
Het zou pas echt leuk geweest zijn als ze het niet zo serieus bedoelde.
Zoals gewoonlijk heb ik de neiging om te vlug te gaan, goed terug naar het begin dan maar.

Van Amsterdam naar Valkenburg.

In de tijd dat ik Els, mijn vrouw, leerde kennen werkte ik in het pittoreske Monschau in de Duitse Eifel. Ik was daar terecht gekomen na een korte, periode in het Limburgse Valkenburg.
Mijn diensttijd bij de Koninklijke marine werd nogal abrupt beëindigd. Nadat ik mij zelf behoorlijk in de problemen had gewerkt, was er een vroegtijdig einde gekomen aan mijn dienstverband bij het korps mariniers.
Ik verliet de Marine en het Korps op een vrijdagmiddag. Ik mocht weer bij mijn ouders intrekken, om van daaruit eens rustig te gaan omkijken naar werk, althans dat dacht ik.
Het zou net allemaal even anders lopen.

Het was vreemd wakker worden. Weer in die kamer, in het ouderlijk huis. De kamer die er nog net zo uitzag zoals ik hem drie jaar geleden achter had gelaten. Goed, een nieuwe dag dus nieuwe kansen.
De volgende morgen, bij het ontbijt, kreeg ik de vraag van mijn vader wat ik verder van plan was te gaan doen. Ik maakte toen de fout door te zeggen dat ik wel een paar weken vakantie had verdiend. Daar waren de meningen dus duidelijk over verdeeld. Ik kreeg, bot weg, te horen dat dat dus niet door ging. Volgens mijn vader was het allemaal heel simpel. Tijdens dat ontbijt werden door mijn vader de, voor mij, zo legendarische woorden gesproken :
"Dan wel, je hebt maandag zelf werk gevonden of je gaat maandagmorgen om 06.30 met mij mee. Dan heb ik wel werk voor je."
Einde gesprek!!

Mijn vader had, samen met een jongere broer en een neef, een schildersbedrijfje in Amsterdam. Dus ik kon me wel een beetje voorstellen wat me te wachten zou staan. Met alle respect voor mijn vader maar een leven naast hem op een steiger en tussen de potten verf sprak me toen nog niet erg aan. Nee, ik moest duidelijk voorkomen dat ik in een situatie terecht kwam dat ik noodgedwongen mee moest de steiger op.
Ik wist nu in ieder geval hoe ik ervoor stond, ik had dus geen keus. Ik moest werk hebben ! Maar wat. Wie zit er nou te wachten op een ex-marinier met een scherpschutters diploma en een duikbrevet??
Op de hoek van de straat waar we woonden zat een sigarenwinkel. Na het nogal ontluisterende ontbijt heb ik eerst maar eens een Telegraaf gekocht. Bij ons thuis was Het Parool het lijfblad van mijn vader. De Telegraaf las je niet, die was om vis in te verpakken. Maar juist in die advertentiepagina’s van de Telegraaf stonden de meeste vacatures dus die werden door mij uitgepluist. Wat zoek je, wat moet je, ik kon eigenlijk niks.
Geen afgemaakte LTS, geen verder schoolopleiding en bij de Marine alleen geleerd om te vechten en hoe een mortier bediend moest worden en nog heel veel zaken waar je in de burgermaatschappij nou niet bepaald veel aan had. Kortom, niet echt een CV waar je je vingers bij aflikt.
De meeste advertenties waarin werk werd aangeboden hadden betrekking op de horeca. Het meeste werk werd aangeboden in die sector. Dus lag het voor de hand om in die richting ook maar wat te gaan zoeken.
In de horeca had ik uit eindelijk ook de meeste ervaring. Wel is waar aan de verkeerde kant van de tap, maar ik had wel altijd heel goed opgelet.
In die tijd was het eigenlijk erg moeilijk om goed horeca personeel te vinden . Daar kwam nog bij dat het midden in het hoog seizoen was De vakantie periode was in volle gang en dus een extreem drukke tijd voor de horeca. Na wat advertenties te hebben afgebeld bleek dat met name het feit dat ik geen ervaring had in de bediening van een restaurant of café, me niet echt interessant maakte voor de horecaondernemers. Dat ik veel ervaring had voor de bar, als klant, werd niet echt gezien als een pre. Ik gooide het dus over een andere boeg. Ik vertelde dus maar niet meer dat ik geen ervaring had in de horeca. Ik moest mijzelf dus beter verkopen. Dus hing ik vanaf dat moment een ander verhaal op. Ik vertelde dat ik de jaren die ik bij de marine had gewerkt als hofmeester een ruime ervaring in de bediening had opgedaan in de officier en de onderofficier verblijven.

Valkenburg

Met dit nieuwe verhaal melde ik me telefonisch bij de eigenaar van een hotel/restaurant in Valkenburg.
In de advertentie werd vermeld dat ze iemand, met ervaring in de bediening voor het restaurant in de functie van ‘demichef de rang’ zochten. Ze boden een goed salaris en kost en inwoning.
Kijk dat was dus waar ik op zat te wachten.
Verder zou, als je werd uitgenodigd voor een sollicitatie gesprek, ook de treinreis worden vergoed.
Ik dacht dus, ook al word het helemaal niks, dan heb ik toch mooi een gratis weekendje in Valkenburg.
De telefoon werd beantwoord door een medewerkster van de receptie. Ik kreeg de eigenaar van het hotel-restaurant aan de Wilhelminastraat, aan de telefoon en had een ‘goed gesprek’ met hem. Hij was ervan overtuigd dat mijn kwaliteiten precies dat was, wat hij voor het restaurant zocht. Het verhaal wat ik had opgehangen slikte hij in ieder geval als zoete koek.  Kortom ik werd uitgenodigd voor een gesprek in Valkenburg. Dat moest dan wel nog die zelfde zaterdag plaats vinden. Zoals al in de advertentie was aangegeven werden de reiskosten vergoed en hij zou zorgen voor een plek om te overnachten, ook als ik werd afgewezen. Ik vertelde het aan mijn ouders. Mijn moeder vroeg of ik wel goed bij mijn hoofd was. Ze keek hierbij mijn vader aan met een blik die bijna dodelijk en hulpeloos te gelijk was.
“Wil jij jouw zoon even wat rede bij brengen?” De woorden vlogen als messen op mijn vader af. Het was frappant op het moment dat mijn moeder het niet eens was met iets wat ik ging doen was ik plotseling ‘mijn vaders zoon’.
“Zeg jij dan ook eens wat” was haar laatste poging om mijn vader tot rede te brengen. 
Mijn vader?
Mijn vader lachte alleen maar!!
Nog voordat de middag begon zat ik in de trein naar het zuiden. Ik kwam daar aan en begon hem nu toch wel te knijpen. Er gingen van die " ja maar als " gedachten door mijn kop. Van die doem scenario’s waar maar geen einde aankwam. Lopend vanaf het station in Valkenburg, door de hoofdstraat richting Cauberg werd ik gaande weg weer wat rustiger. Wat had ik nou eigenlijk te verliezen?  Niet aangenomen worden was eigenlijk het ergste wat me kon overkomen.  En dan …..vannacht op stap in Valkenburg ? Geen straf als je negentien jaar bent, toch?
Toen ik aankwam bij het hotel had ik voldoende moed verzameld om me door de sollicitatie procedure heen te bluffen. Althans,  …………. dat dacht ik.

Aangenomen, maar voor hoe lang ?

Soliciteren

Die zaterdag, zo rond het middag uur, kwam ik het hotel binnen lopen en werd door een kelner opgevangen. Ik stelde me netjes voor en zei dat ik voor het sollicitatie gesprek kwam.
"De baas is in gesprek en er zijn nog twee kandidaten voor u" klonk het met een wel erg aanwezige zachte G.

Ik mocht plaats nemen op een plekje dat uitzicht bood op de tafel waar de baas de gesprekken hield. Tot mijn stomme verbazing zag ik dat de sollicitanten een soort ‘proeve van bekwaamheid’ moesten afleggen. Je moest dus iets uit serveren aan de tafel om te laten zien dat je dat onder de knie had. Nou had ik wel eens op feestjes en partijen geholpen met het bedienen maar dit was toch ander koek. Ik moest dus iets ondernemen.

Ik riep de kelner en vroeg hem waar de keuken was en waar de het kelnerstation was. Ik wilde daar even kijken om te zien waar ik mogelijk zou komen te werken voordat ik het gesprek in ging. Immers, als het me niet aanstond, kon het gesprek ook zelf zeer kort houden. De kelner was een beetje overrompeld door het verzoek en nam me mee naar achter, naar de keuken. Hij werd vrijwel meteen terug geroepen naar het restaurant. Er stond een serveerstertje een beetje te gniffelen.
“Hallo, kom je hier ook werken? “ was de vraag. In een opwelling besloot ik open kaart te spelen en haar, in een soort van alles of niets poging, om hulp te vragen.
Ze was in eerste instantie met stomheid geslagen, maar zag al snel de humor ervan in.
“Jij durft” zei ze “daar kom je nooit mee weg, joh. Dat trapt hij nooit in!” Die ‘hij’ was dus de baas.
Ik beloofde haar een avondje stappen als ze me zou willen helpen om even snel een paar dingen onder de knie te krijgen. Binnen een half uur leerde ik wat handgrepen, benodigd voor het uitserveren van gerechten en het serveren van een goede fles wijn. Uiteraard bedankte ik mijn nieuwe vriendin. Hoofd schuddend keek ze me na, hoe ik weer verdween naar het plekje in het restaurant.

Het was tijd voor het sollicitatie gesprek.

Ik stelde me voor aan de eigenaar en er was meteen een klik. Het was een wat oudere man, tegen de zestig die begon te vertellen dat hij een aantal zaken had in Valkenburg. Alle 3 zijn zoons hadden een eigen zaak en dat liep als een trein. Hij was meer aan het vertellen dan dat er vragen aan mij werden gesteld. De man had er duidelijk behoefte aan om te vertellen over datgene wat hij allemaal had bereikt. Het gesprek had meer en meer weg van een gesprek tussen twee oude bekenden die elkaar een poos niet hadden ontmoet en de tijd benutten om weer eens even bij te praten. Het karakter van een sollicitatie gesprek was duidelijk ver te zoeken.

Voordat ik het goed en wel in de gaten had waren er zo'n 25 minuten verstreken, waarbij ik vol verbazing had zitten toehoren en af en toe eens ja en nee had gezegd.
Ineens zei hij, zonder verdere overgang :
"Goed,  je bent dus hofmeester geweest, dan hoeven we eigenlijk niet verder te praten. Ik heb daar wel vertrouwen in, laat maar even zien hoe je een fles wijn behandelt en serveer maar even een biefstuk uit, dan weet ik wel genoeg" De zojuist geleerde lessen van mijn nieuwe vriendin bracht ik, met verve in de praktijk. Dat verging me dus, wonder wel, prima. Voordat ik er goed en wel erg in had hoorde ik hem zeggen dat ik was aangenomen. Wat er toen volgde ging zo snel dat het feitelijk nauwelijks tot mij doordrong. De details van onze overeenkomst passeerde snel de revue. Ik kreeg een personeelskamer toegewezen, er werd me verteld wat de verdiensten waren en hoe het met de fooienpot verdeling ging, via het oude beproefde, tronksysteem ging. Afgesproken werd dat ik 6 dagen in de week zou gaan werken de ene week vroege diensten, de daarop volgende week middag diensten.

Het eerste ontbijt

De volgende morgen werd ik voor het ontbijt beneden verwacht in de grote ontbijtzaal om mijn kunsten te komen vertonen en dat was dat. Ik kreeg de sleutel van de aan mij toegewezen kamer en liep met mijn spullen naar boven. Onderaan de trap werd ik opgewacht door de serveerster die mij zo snel wegwijs had gemaakt in het ‘vak’. Nog steeds haar hoofd schuddend keek ze me wat ongelovig aan.
“Ik weet niet hoe je het hem geflikt hebt, maar ik lach me rot dat het je gelukt is. Je begrijpt dat ik dat avondje stappen wel meteen vanavond wil verzilveren, hé. De kans dat je hier lang zult blijven is natuurlijk wel erg klein!! Dat je door de mand gaat vallen is gewoon een kwestie van tijd, toch??
Ik knikte instemmend, en grinnikte een beetje.
“Weet jij waar ik snel nog wat kelnerkleding kan kopen? “ vroeg ik.
Weer sloeg bij haar de verbazing toe.
“Heb je helemaal niks bij je dan ?
“Nee, ik dacht het is vroeg genoeg om geld uit te geven aan kleren als ik aan genomen ben. Anders had ik misschien voor niets kelnerkleding gekocht.”
Hoofdschuddend hoorde ze me aan, “zo’n gek heb ik nog nooit mee gemaakt” stamelde ze.
“Er zit hier in Valkenburg een groothandel in horeca benodigdheden die ook horeca kleding verkoopt, ze zijn op zaterdag tot vier uur open. Het loopt tegen drieën dus dat redt je wel als je opschiet. Zet je spullen maar even boven neer. Mijn dienst zit er bijna op, als je het leuk vindt kan ik wel even met je meegaan om je de weg te wijzen.?”
“Lijkt me een prima idee, kunnen we misschien aansluitend even wat drinken of zo ?”
“Goed” zei ze “Dat doen we. Heb ik wel verdiend ook tegen die tijd!” Schaterlachend liep ze bij me vandaan en even later waren we op weg naar de horeca groothandel.
 

Ontslag

Drie dagen later was ik weer ontslagen.
Door de mand gevallen, zeg maar.
Natuurlijk kon ik niet volhouden dat ik ervaring had in de horeca, dat ging dus aan alle kanten mis. Er volgde twee gesprekken waarin ik uiteindelijk moest toegeven dat ik de hele boel aan elkaar gelogen had om maar aangenomen te worden. Nou zat de eigenaar, die me zo snel had aangenomen, pas echt met een dilemma. Hij zei :
"Ik neem het jou niet kwalijk en heb er wel begrip voor, dat je gedaan hebt wat je hebt gedaan. Maar ik kan het me niet permitteren om bekend te laten worden dat ik iemand heb aangenomen zonder enige kennis van de horeca." Die afgang, tegenover zijn collega’s in Valkenburg, zou te groot zijn voor zijn gevoel.
Vervolgens kreeg ik te horen hoe hij dacht dit dilemma te tekkelen.
"Ik kan je hier niet langer handhaven maar, een van mijn zonen heeft een ‘Beierse bierstube’  met de toepasselijke naam ‘Ober-Bayern’, een echte feest/biertent met Life muziek. Ze hebben 800 zitplaatsen dus daar is altijd wel wat te doen, daar kun je morgen beginnen en het vak gaan leren. Hij weet dat je komt, ik heb het hem al verteld dus dat is geregeld. Als je daar bent vraag je maar naar Jean, hij is mijn jongste zoon. Onervaren en geen idee wat me te wachten stond melde ik me de volgende dag, rond het middag uur, bij Jean. De eigenaar van de illustere tent die dus luisterde naar de naam “Ober Bayern”.

De kneepjes van het vak

 

Ober Bayern was een ‘Hoempapa lokaal’. 

Vanaf het moment dat rond zes uur ’s avonds de deuren open gingen liep het storm. De tent kende zijn hoogtij dagen gedurende de bouwvak vakanties. Toen was er nog geen spraken van vakantiespreiding of lange reizen naar het buitenland. Nee, een beetje zichzelf respecterende bouwvakker ging, al dan niet met het hele gezin, naar zuid Limburg op vakantie. Het lag dan al snel voor de hand dat je dan ook in Valkenburg belande en als je daar dan een keer was, dan hoorde een bezoek aan Ober- Bayern er natuurlijk ook bij.

Ober Bayern had altijd een redelijk groot orkest van, in Tirolerklederdracht gestoken, muzikanten. Ze speelden ongeveer 25 minuten aan een gesloten. dan was er een korte pauze, zodat de leden in staat werden gesteld om een sanitaire stop te maken. Het entertainment kwam dan zo’n tien minuten voor rekening van de bandrecorder waarop de meest populaire, Nederlandstalige, muziek ten gehore werd gebracht.

Het gesprek met Jean liep moeizaam.Jean stotterde.  Jean had moeite om zich te uiten.

Hoe meer Jean zich opwond, hoe meer Jean begon te stotteren en hoe moeilijker het was om Jean nog te volgen.
“Ik he-he-heb net me-me-mijn va-va-vader aan de teee-leeee-foon  gehad. Je me-meme-moet hhhhier a-a-a-aan dddde slag!” een diepe zucht sloot de zin af. Duidelijk opgelucht dat hij het einde had bereikt.
Jean was geen prater, hetgeen volstrekt logisch was met zijn handicap. Als ik met Jean in gesprek was had ik sterk de neiging om woorden en zinnen in te vullen voor hem. Dit werkte averechts, het zette Jean aan tot nog meer en nog heviger stotteren.

“Ik zallll je voor lllllllaten ste-ste-stellllen aan Paul. Paul zal je in w-w-w-werken en w-w-w-wegwijs maken in deze handel. Hhhhou je maar aan hhhhhem vvvast. Ga m-m-m-maar na-na-naar beneden en vra-vra-vraag maar naar Paul. Zeg maar da-da-at ik je heb ge-ge-gestuurd en dat hij je moet in-in-inwerken.”
Ik was opgelucht dat ik weer buiten stond. Ik liep de trap af van het kantoor naar de zaak. Beneden aan gekomen kreeg ik een eerste blik op de immens grote hal. De zaal was ingericht als een biertuin zoals je die veel tegen komt in de buurt van München, in zuid Duitsland. De zaak was vol gezet met lange houten tafels en aan weerzijde houten banken. Tussen die banken was een spaarzame ruimte over gelaten zodat je daar tussendoor kon manoeuvreren om de mensen te bedienen.

De zaak stonk na verschraald bier, goedkope jenever, vette braadworsten en zuurkool. Aan beide zijde was een grote bar. Daar haalde het personeel de consumpties die moesten worden uitgeserveerd. Halver wegen de zaal stonden grote pilaren. Om die pilaren heen waren een soort schotten geplaatst. Daar stond de voorraad die een kelner nodig had die bestond uit:
De extra viltjes en glazen. Een paar emmers met doekjes, die weer werden gebruikt om de plassen bier en jenever op de tafels binnen de perken te houden. Asbakken en een paar vuilnisbaken waar in de restanten van de worsten en de papieren servetten werden gegooid. Twee trolleys waarop leeg servies en lege glazen werden geplaatst. Deze plek had de wervende titel van kelnerstation gekregen.
Ik werd opgeschrikt door iemand die me op mijn schouder tikte en vroeg wat ik stond te doen. Ik keek in het vriendelijke gezicht van een wat oudere dame. Het bleek de toilet ‘moeder’ te zijn. Ik vroeg haar waar ik Paul kon vinden. Ze schoot in de lach.
“Paul willen vinden om deze tijd is niet verstandig. Paul wil je niet voor drie uur ’s middags vinden. “ Ze zei het op een toon die niets aan duidelijkheid over liet.
"Kom om een uur of drie maar even terug dan heb je de meeste kans dat hij aanspreekbaar is.”  Dat betekende dat ik nog een kleine drie uur moest overbruggen. 

Ober-Bayern  lag, als het ware, aan de voet van de Cauberg in het centrum van Valkenburg. Ik posteerde me op een terras waar ik goed uitzicht had op die Cauberg. Het was altijd een feest om even te genieten van de kapriolen van de ongeoefende fietsers op de hellingen van de Cauberg. Zij, die de berg niet konden, kwamen veel en veel te hard naar beneden denderen. Zo hard dat ze met geen mogelijkheid meer konden stoppen voor de vrij scherpe bocht naar rechts. Menigeen kwam dan ook, met fiets en al op een terras terecht en belande dan tussen de tafeltjes die vol gepakt stonden met koffie, appelgebak, vlaaien en wat sterkere versnaperingen. Naast dat het meestal wel mee viel met de fysieke schade, was het altijd wel goed voor een leuk volkstoneeltje. Het geschreeuw en gevloek was niet van de lucht als er weer eens eentje het terras op kwam donderen. Kortom heerlijk volks amusement en nog gratis ook. Andersom was het ook een lust om te zien. Mensen die, heel naïef, aankwamen fietsen en links af de weg insloegen en plotseling met de opdoemende heuvel werden geconfronteerd. Je zag ze dan even stokken, nog maar een keer aanzetten en na, hooguit, tien pedaalslagen weer rechtsomkeert maken. Tot slot waren er de realisten die aan de voet van de Cauberg afstapte en met de fiets in de hand aan de klim begonnen.  Er was dus altijd wel wat te zien en de tijd vloog voorbij als je hier een plekje had gevonden.

Paul

Het was inmiddels bij drieën geworden en dus tijd om op zoek te gaan naar Paul. De man die mij wegwijs ging maken in de geheimen van het “biertrimmen” zoals mijn nieuwe vak ook wel werd genoemd.
Paul zag er een beetje onverzorgd uit.
Paul was nog niet geheel aanspreekbaar.
Paul leed een beetje onder een verlaat ochtend humeur. Ik liep op hem af en stelde me voor.
“Dus jij bent die gek die zich heeft uitgegeven voor kelner?” hij bekeek me van kop tot teen met een blik die aangaf  dat hij er niet veel brood inzag om me verder te helpen.

“Luister, we doen het als volgt, je blijft de komende twee dagen dicht bij me. Je doet wat ik zeg en let gewoon goed op wat ik doe en dat komt het wel goed. Pak je spullen want je slaapt bij mij op de kamer, dan zal ik je laten zien waar het is.
Samen gingen we naar de plek die ons was toegewezen om de nodige rust te pakken. Een klein kamertje, met twee bedden een kast een stoel en, iets wat ooit op gordijnen hadden geleken. Op de gang was het donker er brande dag en nacht 1 lampje en daar moest je het meedoen. Ook het toilet en de gezamenlijke badkamer waren terug te vinden op de gang.
Eenmaal binnen wees Paul op een bed waarop alleen een deken lag.
“Daar slaap jij en haal het niet in je hersens om te snurken. Er is er maar een die hier snurkt en dat ben ik, begrepen?” Ik dacht dat gaat lekker, we kennen elkaar net en dan al zo’n toon.
Paul barste in lachen uit, een aanstekelijke schater lach of je wilde of niet je werd erdoor mee getrokken.

Binnen een paar tellen stonden we het beiden uit te proesten zonder dat een van beide wist waarom. We keken elkaar aan en begonnen weer te schateren. Ik viel neer op bed en Paul op zijn bed. Na verloop van tijd bedaarde we wat.
“Zo dus jij bent die snotneus die door Jean’s vader hierheen is gestuurd om het vak te leren en daar mag ik dan voor gaan zorgen.” Het was even stil, alsof hij de zwaarte van zijn woorden even moest wegen. Ik wachte geduldig af op het geen ging komen.
“We zitten dus als het ware met elkaar opgescheept zonder dat we elkaar kennen, dat moet dan maar veranderen. Als we samen gaan werken moet je ook weten wie de ander is.” Paul liet een stilte vallen alsof hij diep na moest denken.
“Ik ben dus Paul, ik lig in echtscheiding, heb een zoon en mijn leven is een zootje. Maar dat zootje van nu bevalt me prima. Ik hoef niks en heb met niemand wat te maken. Zo nou ben jij?”
Ik was te verbouwereerd om meteen te antwoorden.

Ik vertelde hem wie ik was en hoe ik hier terecht gekomen was. Hij luisterde, keek me aan en zei:
“Dus dat weten we dan. We zijn de komende tijd op elkaar aangewezen door het lot en we gaan er het beste van maken. Heb jij geld bij je?”
Weer was ik overrompeld door de onverwachte vraag. Automatisch stak ik mijn hand in mijn zak en knikte wat beduusd.
“Kom we gaan naar beneden, we zoeken een terras en gaan ontbijten.” Dat het inmiddels half vijf in de middag was scheen hem niets uit te maken.

Nadat ik me had omgekleed in mijn zwarte kelners outfit begaven we ons naar een terras waar Paul even stond te smoezen met een van de kelners alvorens we plaats namen om wat te eten. Veel later begreep ik dat er vrijwel geen horeca gelegenheid was in Valkenburg waar hij geen schuld had open staan. Telkens als we ergens heen gingen waren er dus van die geheimzinnige gesprekjes nodig voordat we toegang kregen tot het betreffende establishment.
Binnen de kortste keren leerde Paul mij de kneepjes van het vak. Ik moet toegeven dat die hoofdzakelijk bestonden uit hoe belazer ik de boel zonder dat de baas dit door heeft. Paul was daar een ware meester in. Belangrijk was, zo zei hij, dat je altijd ervoor zorgde dat je de meeste omzet draaide, dat je altijd meer geld in het laatje bracht dan dat je collega’s deden. Als je dat voor elkaar had kon je rustig je ‘eigen winkeltje runnen’ zoals hij dat noemde.
Jenever aanlengen met water, bier drie maal overgieten zodat je van twee glazen drie kon maken, in plaats van de bestelde cognac goedkope vieux schenken. Het hele skala van mogelijkheden om de kluit te besodemieteren passeerde de revue. Ik moet toegeven dat ik een snelle leerling was. Na een week wist ik een bijna dubbele omzet te draaien. Een omzet voor de baas en een omzet voor de kelner, zeg maar.

Aangenomen en weer ontslagen, aangenomen en weer ontslagen, aangenomen en weer …………………….

Na twee weken, werden we voor de eerste keer ontslagen. We werden bij Jean ontboden. Ik dacht, ‘ nu zijn we de lul.’ Paul werd er niet warm of koud van en sommeerde me om rustig te blijven en hem het woord te laten doen. Dit was duidelijk niet de eerste keer dat hem dit overkwam.

“J-j-jullie zijn ontslagen. J-j-jullie bestelen de boel. D-d-dat p-p-pik ik niet!” Jean begon, ondanks zijn handicap zeer daadkrachtig.
“Doe nou eerst eens even rustig en haal eens even diep adem. Die opwinding is helemaal niet goed voor je en komt ook je verstaanbaarheid niet ten goede.”
Bij elk woord dat Paul sprak zag ik de kleurrood, in het gezicht van Jean, veranderen naar paars. Ik schatte de kans van blijvende schade zeer hoog in, een ontploffing was bijna niet uit te sluiten.
“Natuurlijk stelen we. Dat weet jij net zo goed als ik. Dat is ook logisch, het loontje dat jij ons betaald is amper genoeg om de kamer die je ons verhuurd van te betalen. De fooien zijn niet voldoende om onze onkosten te dekken. Dus accepteer jij dat we een beetje rommelen. Je weet dat je door ons een prima omzet draait en dat die paar centen die wij ervan afhalen je de kop niet kosten. Wij draaien het dubbele van wat die andere armoedzaaiers draaien. Als wij weg vallen daalt je omzet met 40% en daar zit jij en pappie niet op te wachten, toch?
Jean, had nu het punt bereikt waarop een snelkook pan begint te sissen. Wit en wit heet sprong hij overeind en schreeuwde: “Eruit jij, weg”
Paul stond op en trok mij overeind, keek naar Jean en zei:
“Goh wat knap, je stottert niet meer!  We gaan wel even met je vader praten. Die is wel te verstaan.”

Zonder nog een verder antwoord af te wachten trok hij me mee de kamer uit en de gang op, eenmaal buiten keek hij me aan en begon te Grinniken.
“Nou, dat ging toch prima, hé?” zei hij zelf voldaan. “was een goed gesprek, kom we gaan even met zijn vader praten.” Zonder verder af te wachten liep hij richting deur en verliet de tent.

De vader van Jean stond ons op te wachten in de deur opening van het hotel.
“Je hebt Jean weer boos gemaakt?” zei hij tegen Paul, daarbij mij compleet negerend.
“Dat moet je niet doen, die jongen raakt daar nog eens overspannen van.”
We liepen naar binnen het restaurant in. In een afgelegen hoekje stond een tafeltje voor vierpersonen.
“Alle twee koffie?” zonder het antwoord af te wachten riep hij op een van de kelners dat hij drie koffie wilde hebben.
“Ik ben al gebeld door Jean. Hij was, ehhh………een beetje boos. Nee, een beetje ontdaan van het gesprek. Dat moet je niet doen, dat is niet goed voor hem.” Het gesprek richtte zich op Paul en ik had niet echt het gevoel dat ik hier ook iets mee te maken had, het ging een beetje langs me heen als het ware.

“Kijk” zei Paul “Het is allemaal vrij simpel, Rob en ik draaien samen bijna 45% van de omzet voor dat joch van je. Je weet net zo goed als ik dat dat meer dan het drie dubbele is van wat die andere bij-goochem’s bijeen weten te sprokkelen. Je ‘vrucht’ betaald ver onder de norm van wat gebruikelijk is in de horeca hier in Valkenburg. Je weet dus dat je personeel zijn salaris aanvult. Dat is normaal ook geen probleem want je verdient nog steeds meer aan ons dan dat je aan die ander kelners verdient. Dus de keus is vrij simpel. Je gaat dat betalen wat ons toekomt, of je accepteert dat we ons inkomen zelf aanvullen zonder dat dit ten koste gaat van onze omzet of we vertrekken en beginnen aan de overkant en nemen een zootje klanten mee. “
De blik van Paul verried dat hij er helemaal klaar mee was. De vader van Jean zat er een beetje overrompeld bij. Dit was dus het moment om het laatste zetje te geven.
“Je zoon zou zich eens achter de oren moeten krabben om midden in het hoog seizoen, zijn twee beste kelners op straat te zetten, hoe stom kun je zijn en wat gaat dat je niet kosten?”

Tussen neus en lippen door was ik dus opgeklommen van een kelner die nog niet eens zijn eigen veters kon vastmaken tot een van de ‘beste’ van het bedrijf. Ach, hoe snel kan het gaan.
De vader van Jean schraapte zijn keel, nipte aan zijn koffie, roerde het kopje nog eens om en nipte weer. Alles in een stilte die weinig goeds voorspelde naarmate het langer aanhield. Ik dacht, het is gebeurd, we staan op straat! Dit pikt hij nooit!

Hij keek ons om beurten aan, knikte wat en zei:
“Qua omzet heb je gelijk, ik heb de cijfers gezien jullie draaien een meer dan prima omzet en ik snap ook niet hoe jullie het daarnaast nog flikken om je inkomen ‘aan te vullen’ zoals je dat zo mooi omschrijft!”
Ik kan het ook niet zomaar over mijn kant laten gaan en aan de andere kant voel ik er ook niets voor om jullie te laten gaan. Dat kost me gewoon te veel.”
Ik begon weer licht in de duisternis te zien, zijn woorden klonken als het open zetten van de biertap, goddelijk dus!
“Ga maar terug naar Jean, vertel hem maar dat ik jullie ontiegelijk op je donder heb gegeven en dat jullie nog een kans krijgen om te laten zien wat je waard bent. Hou dat ‘aanvullen van je inkomen” een beetje binnen de perken en doe het in ieder geval zo, dat hij niets in de gaten heeft en laat hem met rust !!! Ik bel hem wel om te zeggen dat jullie eraan komen.”
Zonder verder nog een woord te zeggen stond hij op en verwijderde zich van het tafeltje waar we zaten. Paul keek hem na.
“eeeehhh” riep hij, de vader van Jean draaide zich half om en keek naar Paul.
“We kunnen zeker wel even een hapje mee eten nu we hier toch zijn, hé?”
Er kwam geen antwoord de baas liep door en we vertrokken zonder wat te hebben gegeten.

Voor de deur van Ober-Bayern stond Jean al te wachten.
“s-s-snel n-n-aar m-m- ijn vader lopen, hé. Effe ui-ui-uithuilen, hé. D-d-d-at is dus g-g-gewoon de laatste keer g-g-geweest, hé. De volgende k-k-keer s-s-staan j-j-jullie m-m-m-ooi op straat en nou a-a-aan het werk !!
Terwijl we langs hem heen liepen naar binnen toe, kon Paul het niet laten. Hij moest gewoon iets zeggen, dat zag je aan zijn hele houding en ja hoor daar kwam het:
“Goh, dat gaat een stuk beter hé, dat stotteren van je!”
In de weken die hierop volgde hebben we nog zeker drie keer het zelfde traject afgelegd.
Ontslagen worden, een goed gesprek met de ‘ouwe heer’ en weer aangenomen worden. Dit alles tot frustratie van die arme Jean.

Dan zelf maar vertrekken !!

Hoogste tijd

Na een week of 8, het seizoen begon duidelijk op zijn einde te lopen, hebben we zelf ontslag genomen. Paul en ik gingen inmiddels in Valkenberg door het leven als het duo ‘list en bedrog’ Er was vrijwel geen horeca gelegenheid waar we niet bekend waren en waar nog wel een rekening openstond. Het werd ons een beetje, zeg maar,  te heet onder de voeten en het werd dus tijd om onze vleugels elders uit te slaan. Trouwens dat steeds ontslagen worden was ook niet meer te pruimen dus namen we zelf maar het initiatief.  Ik had het vak redelijk snel onder de knie gekregen en dan bedoel ik niet alleen de duistere kant van het kelnersvak. Nee, ook het echte handwerk ging me prima af.

Nadat we ontslag hadden genomen , melden we ons op het arbeidsbureau van Valkenburg. Daar ons verhaal gedaan en aan gegeven dat we werk zochten. Na wat diepe denk rimpels te hebben geproduceerd, een aantal zuchten die de zwaarte van het vak moesten onderstrepen, werd er ergens uit de diepte van een la in het buro een map opgevist.
“Misschien is dit wat voor jullie, een Nederlandse uitbater zoekt voor een hotel-restaurant 2 kelners die ook bereid zijn nevenwerkzaamheden te verrichten. Intern, met kost- en inwoning. Net buiten het mooie plaatsje Monschau in de Eifel langs de doorgaande weg naar Trier. We hebben die mogelijkheid met beide handen aan gegrepen. Die zelfde middag begonnen we aan de reis naar Monschau.

Tja Monschau dat is dus een verhaal op zich, mooi voor deel 2 !!