Een tram vol Japanners !

09-03-2012 07:05

 

 

Het moet op een zondagmorgen zijn geweest, ergens halverwege de zeventiger jaren.

Ik reed als vaste trambestuurder op lijn 24. Een lijn in Amsterdam die oud zuid met het centrum verbond. Een lijn ook, die vanaf het Olympisch stadion door het sjieke gedeelte reed van Amsterdam.

Bij de het Roelofhartplein werd dat gedeelte van Amsterdam verlaten en ging het via de Ceintuurbaan richting Ferdinand Bolstraat. Op de hoek van de Ceintuurbaan en de Ferdinand Bolstraat was een halte waar altijd veel Japanners stonden te wachten op een tram naar het Centrum van de stad. Niet omdat het nou zo’n schitterende plek was om op een tram te wachten. Nee, op de hoek van de Ferdinand Bolstraat en de  Jozef Israëlskade stond sedert 1971 het befaamde Japanse Okura hotel. Dat hotel was de uitvalsbasis voor grote groepen Japanse toeristen die, via georganiseerde reizen Amsterdam bezochten.

Europa

Eigenlijk bezochten ze Europa. De meesten namen deel aan van die reizen waarin je in 14 dagen tijd 10 hoofdsteden bezocht in Europa. De Japanners, die in die tijd Europa bezochten, waren van een soort dat je als “graag geziene gast” mocht bestempellen. De kleine Aziaten die als mieren door de stad zwierven en alles even mooi en prachtig vonden, genoten met volle teugen van de historische plekken die Amsterdam nou eenmaal te bieden had.

In de twee dagen dat ze Amsterdam bezochten waren alle culturele hoogte punten samengepropt in een veel te krap jasje en werden ze werkelijk van hot naar her gesleept. Meestal onder leiding van een eigen Japanse gids die zich soms liet bijstaan door een lokale gids. Plaatsen als Rijksmuseum, het van Gogh- en het Stedelijk museum waren vaste onderdelen. Maar ook de Dam, de wallen en natuurlijk een rondvaart door de legendarische grachten.

Die zondag dus kwam ik aan rijden met een vrijwel lege tram van lijn 24 op de halte Ceintuurbaan en de Ferdinand Bolstraat. Het was nog even voor negen uur in de morgen en Amsterdam sliep uit. Het was hartje zomer en prachtig weer. Op de halte stonden 25 a 30 Japanners te wachten op vervoer. Ik stopte netjes voor aan de halte en gaf de deuren vrij, zodat de passagiers via de knoppen zelf de deuren open konden doen. De hele groep bleef echter stok stijf staan en maakte geen aanstalten om in te stappen. Door de geopende voordeur kwam het vriendelijk gezicht van een Japanse jonge dame, met een paraplu in haar hand. Aan die paraplu was een klein Japans vlaggetje gebonden.

Dat kon maar een ding betekenen deze Japanse jonge schone was de leider van de groep. Sedert jaar en dag hadden de begeleiders van groepen en gidsen een paraplu bij zich die ze hanteerde als een magistraal dirigent en hielden, met dat klein nood, de hele wilde meute toeristen in bedwang die aan ze waren toevertrouwd. Deze Japanse gids bleek niet de Nederlandse taal machtig, nee zij sprak slechts zeer beperkt Engels en dan nog in een dialect dat meer weg had van een voorloper van ‘Uhsi’ dan dat het op schoolse vaardigheid leek.

Met handen en voeten maakte ze me duidelijk dat ze samen met 28 japanners van plan waren om een rondvaart te maken en dat ze om uiterlijk een uur weer terug moesten zijn in het Hotel want dan stond het vertrek gepland naar Londen. Ze was ervan overtuigd dat Londen een voorstadje was van Amsterdam dus dat moest geen probleem zijn toch? Verder maakte ze me handen en voeten duidelijk dat de Nederlandse gids die hun vandaag zou begeleiden niet was komen opdagen en dat ze er nu moeder ziel alleen voor stond en hoopte dat ik haar even een handje zou kunnen helpen.

Nou dat kon ik wel !!!

Om te beginnen legde ik in mijn beste Japans uit, met een vleugje Engels en vooral de nadruk op het Amsterdamse accent, dat het natuurlijk zo was dat ze eerst in moesten stappen en dan een kaartje bij mij konden kopen. Dat in stappen gebeurde op z’n Japans. Allemaal een voor een door de voordeur ik kreeg niet aan hun verstand gebracht dat ze door alle deuren mochten in stappen, dus dat ging wel even duren.

Elke passagier die instapte maakte een vriendelijk buiging en zei: “良い朝”( voor degene die het Japans niet machtig zijn, ik heb me laten vertellen dat dat goedemorgen betekende) Na acht en twintig vriendelijke knikjes had ik de hele club aan boord. De dame met de paraplu begon nu de onderhandeling over de prijs en waar ik ze naar toe moest brengen. Ik reed langzaam weg van de halte en draaide rustig de Ferdinand Bolstraat in, in de richting van de Albert Cuypstraat.

De Japanse zei nu dat ze allemaal stuk voor stuk wilde betalen. Dat betekende dus 29 keer 1 gulden afrekenen. Ik zag de bui al hangen. 28 Japanners die allemaal met een joetje, of nog erger een geeltje, kwamen om een piek af te rekenen. Dat moest ook anders kunnen, dacht ik. In mijn beste Engels heb ik het paraplu vrouwtje duidelijk gemaakt dat het veel beter was als ze een groepskaart kocht bij me. Dan kon het hele spul mee voor 25 gulden en dat scheelde toch maar even mooi vier piek! Dat zag dat kleintje wel zitten en al snel werd er 25 gulden op de betaaltafel neergelegd.

Nou was er een probleem. Er bestonden in die tijd nog geen groepskaarten, laat staan dat een bestuurder korting kon geven aan een groep. Ik moest nog even nadenken hoe ik dat op ging lossen. We waren inmiddels het Weteringcircuit gepasseerd en reden op in de Vijzelstraat in de richting van de Muntplein.

De gids begon nu, met handen en voeten duidelijk te maken dat ze nog steeds verwachte dat ik wel even een rondvaart zou regelen voor ze en dat ze wilde weten of we er al bijna waren. Op het Muntplein stapte de laatste Amsterdammer uit en had ik alleen nog de hele groep Japanners in mijn tram. Ik liet de wagen van de halte af rollen, richting Dam.

Aan het einde van dat stukje van het Rokin, daar waar het water niet verder gaat, is rederij Kooij gevestigd. Rederij Kooij had in die tijd altijd een paar ‘runners’ lopen op het Rokin. Die runners hadden maar een taak en dat was zoveel mogelijk toeristen de boot in lullen. Dat was vaak best wel een felle strijd tussen de runners onderling, want ook voor hen gold, wie de meeste betalende toeristen aan boord wist te krijgen ging met de best gevulde knip naar huis!.

Ik stopte op hoek van de brug naar de Grimburgwal en riep uit de inmiddels geopende voordeur van de tram : “Wat brengen dertig Japanners op tegenwoordig?” De runner keek me stom verbaasd aan, bedacht zich geen moment en riep: “Rot jij effe lekker op, met je Japanners der bij, mafketel!!”

Nou dat was dus duidelijk, hij kreeg mijn Japanners dus mooi niet!

De gids stond, enig sinds verbaasd naast me het tafereel gade te slaan en snapte er duidelijk niks van. Ik keek haar aan en zei in mijn beste Engels “Boot kaput, no good boot” Ze knikte ten teken dat ze me had begrepen en haar glimlach bevestigde nog maar weer eens dat ze alle vertrouwen in me had.

Ik reed verder, ze bleef nu stijf naast me staan, als het ware om te controleren wat ik allemaal deed. Bij de halte Bijenkorf stond niemand en er waren geen verdere passagiers aan boord van de tram dus ik kon rustig de halte passeren. Aangekomen bij Rederij Plas op het Damrak bracht ik de tram weer tot stilstand. Ook daar liep weer een  runner rond. Weer de voordeur open en weer het “héééé” tegen een van de runners. Eindelijk keek er eentje op, keek om zich heen en wees toen op zijn borst en keek me aan met een vragende blik. “Ja jij”, riep ik vanuit de geopende voordeur van de tram. “Ik heb zo’n dertig Japanners voor je, wat levert dat op?”

“Ben jij besodemietert, met je ‘héééé’ dat is toch geen gehoor.” was het eerste wat hij zij. “Hoeveel Japanners heb je? Dertig man? Waar haal je die in godsnaam vandaan? Nou, ik weet het goed gemaakt laad ze maar uit en dan krijg je van mij twee kaartjes voor een ‘candle light tour’ met variété aan boord en een hapje en een snapje. Maar wel opschieten want die schuit is vol en dan kunnen ze meteen mee.” voegde hij er nog aan toe. “Ik heb liever cash” riep ik hem toe. “jij krijgt toch ook cash als je klanten binnen haalt?”

“Ben jij nou helemaal van de pot gepleurd, wie denk je dat je bent” Hij liep redelijk rood aan en ik had de indruk dat ik er verstandiger aan deed om maar weer door te rijden. Dus, deur dicht, een tik op de voetbel en de wagen kwam weer in beweging.

De Japanners begonnen nu massaal te kwetteren achter me en de gids begon nerveus met haar paraplu te zwaaien ten teken dat ze het nu wel welletjes vonden. Ze hadden hun zinnen gezet op de rondvaart en ik was er inmiddels al twee voorbij gereden. Ik nam niet eens meer de moeite om nog Engels te praten tegen de gids. Ze luisterde niet meer en al luisterde ze, ze verstond me toch niet. Dus ik riep op z’n plat Amsterdams:

“Ja, ja, die boot had ook een lekke band en daar konden jullie niet mee varen, dus dat was geen goed idee” de onzin die ik uitkraamde serveerde ik met een aller liefste glimlach, hetgeen de gids weer tot bedaren had gebracht. Ze had er weer helemaal vertrouwen in dat ze vandaag nog op een boot zouden belanden. Ondertussen had ik nu een echt probleem.

De normale route van lijn 24 was aan het einde van het Damrak, rechtsaf de Prins Hendrikkade op en dan zo naar de standplaats op het Centraal stationsplein. Daar was echter geen rondvaart bedrijf meer te bekennen en dat zou betekenen dat ik mijn achtentwintig Japannertjes moest laten gaan, zonder dat het een cent had op gebracht. Dat kon natuurlijk niet !!

In die tijd lag er nog een wissel op het Damrak dat de mogelijkheid gaf om links af de Prins Hendrikkade op te rijden om dan via de westelijke toegangsbrug het Stationsplein te benaderen. Ik kwam dan weliswaar aan de verkeerde kant uit op het Stationsplein uit, maar ik kwam wel nog langs Rederij Lovers die, destijds, zijn ligplaats had aan de Prins Hendrik kade voor het Centraalstation. Ik zette de tram stil voor het wissel op de middentoegangsbrug en stapte uit om het om te gooien.

Terug in de tram reed ik de wagen het spoor op dat door een rijbaan werd gescheiden van het trottoir en waar Lovers zich bevond. Ik stapte uit en gebaarde dat de Japanners nog even moesten wachten, duwde de deur weer een beetje dicht en stak over naar het kantoor van Lovers. Daar stond een van de kapiteins een sigaretje te roken. Ik keek hem aan en zei de inmiddels op mijn tong gebrande woorden: “Wat brengen dertig japanners op?”

De Kapitein verslikte zich in de rook en barste in een hoest bui uit. “Heb jij dertig japanners?” vroeg hij ongelovig. Ik knikte en keek hem weer aan.

“Ik geef je drie joetjes, handje contantje, als je ze heelhuids hier aflevert, deal??”

“Deal” zei ik en rende de weg over naar mijn tram.

Ik duwde de deur open, en greep achter mijn bestuurdersstoel naar het ‘spiegelei’ (zo’n bordje met een geel middenvlak op een stokkie dat een klaar-over ook gebruikt). Ik gebaarde de gids dat ze haar groep kon laten uitstappen en dat ze naar de overkant moesten gaan waar de kapitein al stond te wachten. De gids kon haar geluk niet op en bleef maar buigen. Ik heb een paar keer mee gedaan, maar ben toen afgehaakt. Met mijn spiegelei boven het hoofd liet ik het verkeer stoppen en konden de Japanners veilig de overkant bereiken. Midden op de weg, daar waar ze mij passeerde, maakte elke Japanner nog een buiging alvorens hij/zij door liep naar het veilige trottoir. Het moet een zeer vreemd gezicht zijn geweest!

Nadat de laatste Japanner veilig was aangekomen nam ik afscheid van de gids, die me nogmaals bedankte voor alle hulp. De Kapitein kwam naar me toe en stak zijn hand uit alsof hij een oude vriend begroete. Met een lach van oor tot oor, siste hij tegen me: “Zo zout heb ik ze nog nooit gegeten, mafketel”

Hij drukte me de hand en draaide zich om en liep weg. Onderwijl volop pratend tegen het Japanse paraplu meisje. Ik keek in mijn hand, de hand die de kapitein zo vriendelijk had gedrukt, en daar zaten 3 joetjes in!

Ik stapte in mijn tram en begon op te rijden naar de brug. Via het spoor van lijn 1 kon ik zo door rijden naar de midden toegangsbrug. Ik heb daar mijn tram neer gezet en heb de passagiers gewaarschuwd die op de halte stonden te wachten. Nadat ze allemaal waren in gestapt zijn we weer precies op tijd vertrokken in de richting van het Stadionplein. Ik had een zondag morgen beleefd die ik niet snel zou vergeten.

Mijn Japanse passagiers waarschijnlijk ook niet. Aangekomen op het eindpunt pakte ik mijn spullen bij elkaar en keek nog even de cabine na of ik niks vergeten was. Op de grond lag het briefje van vijfentwintig van de Japanners. Ik raapte het op en stak het in mijn zak.

Die middag was ik vroeg klaar. Mijn aflosser nam mijn tram over en ik stapte op de fiets naar huis. Bij het Haarlemmermeer circuit, even gestopt en een grote bosbloemen gekocht voor mijn vrouw. Ik kwam thuis binnen en ze keek me erg wantrouwend aan: “Wat heb jij uitgevreten?”

“Niks” zei ik verbaasd “Er hoeft toch niet altijd wat gebeurd te zijn als ik bloemen voor je mee neem! Ik hou gewoon van je, dat is alles!”

“En dat moet ik geloven? Als ik naar dat schijnheilige gezicht van je kijk heb ik daar toch echt moeite mee!” We schoten allebei in de lach.

“Nou, hoe was je dag? Nog wat bijzonders gebeurd?”

Ik schudde m’n hoofd en zei: “gewoon wat heen en weer gereden met Japanners, niks bijzonders dus!!”