Een dagje naar Emmen met een Duits kenteken

26-03-2012 16:25

Het gedrag van mensen is vaak niet te peilen

Als reactie op een van mijn schrijfsels over onze ervaringen in Duitsland, werd ik erop gewezen dat het gedrag van (sommige) Nederlanders in de richting van vermeende Duitsers op de Nederlandse wegen nog vaak, laat ik het nou voorzichtig zeggen, twijfelachtig is. Hij schreef:

Maar zodra Nederlandse vrienden van mij zich met Duits kenteken op Nederlandse wegen begeven, beginnen de kammetjes als Hitlersnor te verschijnen, wordt de Hitlergroet gebracht, wordt de auto gesneden, of vernielingen aangericht. En nee, niet door Nederlanders die de oorlog meegemaakt hebben.”

 

Dit riep meteen herinneringen bij mij op aan onze „eigen ervaringen‟ aan het rijden met een „Duitse auto‟.

Een van de eerste keren dat mijn vrouw en ik naar Emmen gingen, even ter oriëntatie dat is een gehucht dat de pretentie heeft van een grote stad maar nog steeds is blijven hangen in kneuterigheid van een provincie dorpje, liepen we dus tegen dat fenomeen aan dat hij zo mooi beschrijft. Het volgende overkwam ons:  We rijden op een normale door de weekse dag voor de eerste keer Emmen binnen op zoek naar een vesting van de firma Intratuin. Nu ben ik een geboren en getogen Amsterdammer met meer wegenkennis in Paramaribo, Boston, Londen en noem nog maar een dwarsstraat op, dan dat ik de geografie van Emmen zou kennen. Ondanks het rijke bezit van een Tom/Tom heeft mijn vrouw sterk de neiging het beter te weten dan die lieftallige damesstem die je de weg wijst. Het is dus een vrijwel constant gevecht tussen die twee, waarbij ik moet toegeven dat ik hierin meer vertrouwen hecht aan hetgeen dat apparaat produceert dan dat er, op zo‟n moment, uit mijn eigen vrouw komt. Niet dat ik dat hardop zal toegeven. Nee, ik ben daar toch niet helemaal mesjogge.

 

Goed , je begrijpt de strijd tussen Truus (nee, dat is niet mijn vrouw, mijn vrouw is Els) en Els was volop losgebarsten bij het binnen rijden van Emmen. Nadat mijn vrouw bemerkte dat ik toch de aanwijzingen opvolgde van die blikkenstem uit het apparaat, waren een aantal dodelijke blikken mijn deel. Maar ook de rust was weer gekeerd, de vrouw in de Tom/Tom had de eerste ronde gewonnen. Let wel „de eerste ronde‟ mijn vrouw voelde zich nog geenszins verslagen door dat apparaat en zat te zinnen op wraak. “de eerste afslag links, alstublieft”

Tom Tom

We hebben een Belgische dame in het kasje zitten, die zijn altijd zo lekker beleefd. Het Belgische dialect is met een zekere sensualiteit omfloerst. Ze snauwen, niet maar vragen en zeggen ook nog alsjeblieft, toch een heel andere toon als dat mijn lieve Els af en toe aanslaat. Ik rijd in het midden van een weg die drie banen telt, een voor rechts af, een voor rechtdoor (daar zat ik dus nog) en een voor links af. Op het moment dat ik naar links wil gaan om voor te sorteren heeft mijn Els besloten de volgende ronde van het gevecht met de techniek op te starten. Ze kijkt me, redelijk, dreigend aan en zegt met een vals blik: “Ja en dat klopt dus niet hé, je moet hier nog gewoon rechtdoor, ze zit er stomweg naast!” Ik kijk met stomme verbazing naar haar en zeg: “Ben jij hier dan weleens geweest? Hoe weet jij dat nou? Als zij (wijzend op de almachtige Tom/Tom) nou zegt dat het hier links af is dan klopt dat heus wel hoor” Of ze het gehoord heeft, meteen begint de Tom/Tom mevrouw, op een iets dringender toon te vertellen dat we hier toch echt links af moeten slaan.

Met gevaar voor eigen leven besluit ik mijn vrouw te negeren en de richting aanwijzer naar links uit te zetten. Hierop kijkt Els me aan, er schiet inmiddels vuur uit haar ogen als ze weer naar de Tom/Tom kijkt en vervolgens haar vernietigende blik weer op mij richt. “Je gaat dus gewoon doen wat zij, in dat ding, zegt, hé” Ik pareer door te zeggen: “Dat „ding‟ heeft ruim €200.= gekost en daar vertrouw ik dus op” “Dus ik ben te goedkoop om op te vertrouwen?” Dit is het moment waarop ik dus mijn toevlucht zoek in het verkeer en dus roep, “lief, ik heb nu echt even mijn aandacht nodig bij de weg, we praten er zo wel even over”

PFFFF, gered door de bel, is het eerste gevoel wat bij me opkomt. Inmiddels naderen we het punt waarvan de Belgische zei dat we links af moesten slaan, mijn knipperlicht staat nog steeds uit, ik kijk in mijn zijspiegel en zie in de verte een auto aankomen. De afstand is echter zover dat ik nog ruim de gelegenheid heb om voor te sorteren zonder dat de aankomende auto daar hinder van heeft. Ik laat mijn wagen rustig naar de linkerbaan rollen en geef een beetje gas bij om ruimte te maken voor de auto achter ons. Deze komt, veel sneller dan dat hij eerst reed, op ons afstormen.

Onderwijl geeft hij met groot licht onophoudelijk lichtsignalen. Hoe dichter hij bij komt des te feller gaan zijn lampen aan en uit, ik hoor nu ook dat hij als een gek op zijn toeter drukt. Ik kijk snel om me heen, ervan overtuigd dat er kennelijk iets aan de hand is wat ik over het hoofd heb gezien. Niets van dit alles, dus kijk ik naar Els. Die heeft besloten niet meer mee te doen, het verlies in de tweede ronde is nog niet verwerkt. “wat moet die gek van je?” is haar reactie. Ik heb niet de indruk dat er perse een antwoord van mij wordt verwacht en haal een beetje mijn schouders op. “Ik heb geen idee, maar we kunnen het hem wel even vragen? “Als je het maar uit je botte hersens laat, je gaat niet hier bij die boeren herrie lopen maken hoor!”

Niet dat ik dat van plan was, maar mijn vrouw neemt graag het zekere voor het onzekere. De ene baan voor links af wordt plotseling opgesplitst in twee banen voor links af, de achteropvolgende auto zit inmiddels zo dicht op me dat ik bang ben dat hij nu probeert me van achteren te nemen. Daar ben ik dus geen voorstander van en een zucht van opluchting laat ik ontsnappen als ik in mijn spiegel zie dat hij, onder begeleiding van zijn eigen toeter, plotseling een ruk naar links maakt en in mijn linker zijspiegel verschijnt.

Gelijk zie ik dat er nog een auto achter hem bezig was om hem in te halen, deze moest vol in de remmen om ruimte te geven aan mijn niet zo heel vriendelijke mede weggebruiker. Langzaam nader ik het stoplicht dat op rood staat voor links af. Ik stop bij de streep. Waarop mijn vrouw roept “Rij nou maar door voordat er rottigheid van komt!” Nu is het mijn beurt om haar vuil aan te kijken. “Voel jij je wel lekker, het licht staat op rood en nou ga jij zeggen dat ik door moet rijden, praat jij effe lekker met die Tom/Tom, misschien steek je er wat van op!” Niet verstandig natuurlijk, om zo uit te vallen. Vanaf dat moment weet je dat je dus op twee fronten de strijd moet aangaan, de vijandige automobilist en een gepikeerde vrouw naast je. Ach, je weet dat je daar, vroeg of laat de rekening voor betaald. In het geval van mijn vrouw weet ik dus dat dat eerder vroeg zal zijn dan later.

Ik kijk naast me, daar is inmiddels een lichtelijk overspannen automobilist die, gelet op zijn leeftijd, nog in zijn proeftijd als onervaren bestuurder zit, komen te staan. Ik zie dat het raampje aan de passagiers kant omlaag gaat. Hij kijkt mij met een nogal rood aangelopen gezicht aan, hetgeen verraad dat zijn bloeddruk kennelijk stijgende is en maakt met zijn rechter hand een draaiende beweging. Mijn vrouw, die dat gebaar ook ziet en herkend, zegt onmiddellijk: “Als je het maar uit je hoofd haalt, je laat dat raam dicht hoor je! Je weet nooit wat zo‟n gek doet” Natuurlijk hoor ik wat ze zegt, dat kan niet anders, het wordt op nog geen 75cm afstand in mijn oor getetterd, dat kan dus niet missen. “Ach” zeg ik “zo‟n vaart zal het wel niet lopen, toch” en druk op de knop om raam te laten zakken.

Langzaam daalt het raam omlaag, het geruis van het verkeer wordt duidelijk hoorbaar en eerst nu zie ik dat de man bijkans het schuim op de mond heeft staan. Terwijl hij de nodige hoeveelheid vocht verspreid bij het  schreeuwen, spreekt hij mij aan in een soort Duits met een, naar ik aanneem, Emmens dialect. Hij legt in een keer zijn hele kennis van de Duitse taal op tafel. Deze bestond uit het achter elkaar uitschreeuwen van de volgende onsamenhangende tekst:

“ Arschloch, Scheiße en Dreckskerl” gevolgd door “Verdammt nogmal, Halts Maul en Scheiße, komm mal raus du Huren!“

Het woord Scheiße, had een duidelijke voorkeur bij mijn jonge vriend, verder denk ik dat het weinig toelichting behoeft.Tijdens een adem pauze van het opgewonden standje, zag ik mijn kans schoon. Op een redelijk rustige toon, in een onvervalst plat Amsterdams accent, riep ik hem het volgende toe: “He, eikel! Er is echt geen enkele Duitser die dat belabberde Duits van jou verstaat, je zult toch echt iets aan je uitspraak moeten doen, jochie!”

Dit zaaide bij mijn jonge opponent der mate veel verwarring dat hij even met stomheid was geslagen. Hij moest duidelijk even verwerken dat de taal die uit die wagen met dat Duitse kenteken, Nederlands was. Nou ja, Nederlands? Maar dan met een diepe Amsterdamse ondertoon. Hij zat heel even, als het ware naar lucht te happen en moest de schok duidelijk verwerken. Voor mij was het hiermee afgedaan en ik maakte aanstalten om het raam weer dicht te doen. Opdat moment sprong ook het licht weer op groen en was het tijd om onze reis voort te zetten. Juist op dat moment had de, nog steeds opgewonden chauffeur van de wagen naast mij, blijkbaar zijn adem terug gevonden. Hij schreeuwde mij, bij wijze van afscheid naar ik aan neem, nog een vloek toe, maar dit maal in het Nederlands/Emmens. Ik stopte het verder omhoog aan van mijn raam en constateerde luid dat ik moest vaststellen dat zijn Nederlandse uitspraak niet veel beter was ten opzichte van het Duits dat hij bezigde.

Dit was ongeveer het maximum van wat hij kon verdragen, zijn hoofd liep bijkans nog roder aan als dat het al was. Hij haalde heel diep zijn neus op en tuitte zijn mond, met de kennelijke bedoeling om de inhoud van zijn mond in mijn richting te spugen. Ach wat een mens al niet bedenkt als de bloeddruk stijgt. Ik trachtte met een rotgang mijn raam verder dicht te maken om te voorkomen dat de fluim doeltrof.  Hierbij kwam hulp uit volstrekt onverwachte hoek. Op het moment dat de fluim zijn mond verliet en zich in mijn richting bewoog kwam er een wind vlaag voorbij. Deze blies de gore fluim als het ware weer zijn auto in en deed hem op de passagiersstoel belanden. Ik had hierdoor voldoende tijd om het raam te sluiten en te vertrekken van dit onheilspunt. Een ietwat triomfantelijke lach kon ik niet onderdrukken. Naast mij kwam volgas de jonge knaap voorbij razen, bij het passeren stak hij de bekende middelvinger omhoog, vloog bijna uit de bocht en verdween met hoge snelheid uit het zicht. De rust was weer gekeerd en we vervolgde onze weg naar Intratuin. Na een paar honderd meter in de straat te hebben gereden doemt daar plotseling het gebouw op van Intratuin. Ik kijk naar mijn vrouw en zij kijkt naar mij. “Moest dat nou, zo naar tegen die jongen doen. Als je kwaad bent op mij moet een ander het altijd ontgelden bij je” Nu was ik met stomheid geslagen, op zoveel vrouwen logica is geen weer woord mogelijk en dan is het het verstandigste om maar stil te incasseren.

Aan het gesloten hek van de Intratuinvesting is een bord opgehangen waarop de volgende tekst:

„in verband met verbouwing is de ingang verlegd naar de ander zijde, terug rijden naar de kruising en dan twee maal links de borden volgen‟

Een beetje ontdaan neem ik de tekst in me op, Nog voor ik ook maar iets kan uitbrengen zegt mijn vrouw: “zie je nou dat ik gelijk had, je moet eens een keer luisteren als ik wat zeg! Voor die stoplichten stond het al een bord waarop het was aangegeven.”

Ik was er helemaal klaar mee!!!