De eerste Griekse vakantie

26-03-2012 23:34

“Καλό Πάσχα”  werd er achter ons geroepen.

 

Kalo Paska, Vrolijk Pasen, dat moest wel lukken in de goddelijke omgeving waar we zaten. Het zal begin jaren ’70 zijn geweest dat we voor de derde keer naar Kreta gingen. Op vakantie naar Griekenland was in die tijd niet een bepaald een voor de hand liggende keus. Nee, dan Spanje, aan de Costa liggen bakken tussen de prullenbakken die gevuld zijn met papiertjes waarop staat “echte Dobben kroket”. De Nederlandse broodjeswinkels als paddenstoelen uit de grond schoten en de hele cultuur die werd afgestemd op de Nederlandse, Engelse en Duitse leefgewoontes, waarbij alle authenticiteit verloren dreigde te gaan. Goed, dat was dus niet aan ons besteed. Onze voorkeur lag duidelijk bij de Grieken. Op Kreta logeerden we meestal in een klein vissersdorpje, waar zeggen en schrijven, twee hotels waren. Het een was een wat luxere en benaderde zowaar de vier sterren, Griekse sterren wel te verstaan.

Het andere hotel lag in het kleine baaitje dat ligplaatsen bood aan de plaatselijke vissers en waar een klein stukje strand werd benut door de plaatselijke jongelui. De vissersbootjes lagen deels afgemeerd aan een redelijk nieuw uitziende pier. Een betonnen pier die de baai moest beschermen tegen te hoge golven. Een pier ook die tevens dienst deed als openbare vismarkt, herstelplaats van netten en ander visgerei. Maar ook de plek waar men de dorpsnieuwtjes uiwisselde. Hetgeen absoluut geen roddelen werd genoemd in die tijd. Een ander deel van de bootjes lag verankerd aan een boei in de baai. Links van de Baai ging een pad omhoog, vanuit het centrum van het dorp, naar de hoger gelegen woonwijk. Het pad liep tussen de tafels en stoelen door van de verschillende restaurantjes die zich tegen de berg wand hadden genesteld en die hoofdzakelijk door de plaatselijke bevolking werden bezocht.

We volgden het pad naar boven toe. Nadat we eenmaal het terrassen pad hadden verlaten namen woonhuizen de plaats in van de vele kleine tavernes en werd de steile afgrond aan de zee kant dieper en dieper. De, bij de huizen behorende, vee stapel liep hier vrijelijk rond. Ze waren het zo gewoon dat geen van de kippen, poezen of honden ook maar aanstalten maakte om aan de kant te gaan als je er aan kwam. Het was hun pad en jij was de gast waarvan enige aanpassing mocht worden verwacht. De laatste huizen gepasseerd sloeg het pad af naar links, het werd nog steiler en was ongeplaveid, door de zware regenval waren er diepe groeven ontstaan die de weg naar boven toe alleen maar bemoeilijkten.

Flink klimmen

Het was een hele klim. Zeker voor die Hollanders, waarbij in hun normale leven het hoogst bereikbare punt een etage woning op de derde verdieping van hun huis was. De gasten beklaagden zich vaak bij de eigenaar van het complex dat het pad zo slecht begaanbaar was en dat er eigenlijk iets aangedaan moest worden. Het vaste antwoord was dan altijd ‘Avrio’ hetgeen zoveel betekende als morgen. Dat Avrio werd altijd met een brede grijns uitgesproken. Op een ochtend ging ik naar beneden voor mijn dagelijkse kop koffie en zag, tot mijn verbazing, dat alle gaten vrijwel waren gedicht. Ik begreep niet helemaal hoe dit kon. Het was nog zo vroeg dat ik me niet kon voorstellen dat ze dit vannacht nog hadden gedaan. Weer boven gekomen sprak ik de eigenaar erop aan. Hij vertelde dat er die nacht een waar noodweer had gewoed. We hebben geslapen als een blok en hadden er niets van mee gekregen. Toen ik hem wat verbaasd stond aan te kijken kwam daar weer die brede grijns te voorschijn. Door de hevige regenval waren de gaten als het ware dicht gespoeld en had het pad weer een begaanbaar karakter gekregen. De regen had zijn werk dus gedaan. Hij wees me er nog maar eens fijntjes op dat hij het gister nog beloofd had. “Avrio” zei hij “Avrio (morgen) is het probleem opgelost”en zie hier hij was een man van zijn woord, het probleem was opgelost. Voor zoveel logica kon ik alleen maar een diepe buiging maken.

Eenmaal boven gekomen, hebben we hijgend staan te genieten van het fenomenale uitzicht over de Middellandse zee en de baai in de diepte gelegen van het pad dat we zojuist hadden beklommen.Slechts een kleine vijftig meter scheiden ons nog van het doel waar we naar op weg waren. Het Appartementencomplexje met de logische naam “Dimitri’s”. Het complex was eigendom van twee families en bestond uit zo’n tien tal appartementjes en/of studio’s. Het bovenste appartement had de beschikking over een dakterras dat qua vloer oppervlak even groot was als het appartement.

Hier stonden dan ook een tafel met stoelen onder een soort van veranda en vier ligbedden op het terras. Ook hier weer een schitterend uitzicht over zee en op het eiland Kreta. Beneden in het complex was een soort van receptieruimte ingericht, die tevens dienst deed als bar. Een van de eigenaren woonde gedurende de zomermaanden ook in het complex, samen met zijn vrouw. Nou ja, woonden?? Ze hadden een soort veredelde bedstee tot hun beschikking die tevens dienst deed als voorraadkast. Die plek bevond zich op de eerste verdieping aan de zeekant van het appartementencomplex. Via een balkon bereikbaar. Op dat balkon was een stenen bank gemetseld vanwaar je een fenomenaal uitzicht had over de Middellandse zee. Vooral ’s avonds laat was dit een plekje waar je als pas getrouwd (en nog hevig verliefd) stel uren aaneen kon doorbrengen.

De eerste keer waren we door Dimitri uitgenodigd om een kopje Griekse koffie te komen drinken op zijn “terras” zo als hij het liefde vol noemde. Het was ’s avonds om een uur of half negen, een heldere sterrennacht kondigde zich aan, in geen tijd was het aarde donker en werd de omgeving alleen nog verlicht door miljoenen sterren aan een inkt zwarte hemel. De maan scheen prominent neer op de golven van de Middellandse zee. Elke manestraal speelde zijn eigen spel in de golven die, op hun beurt weer, het licht absorbeerde en meevoerden richting kust. Hoe meer de duisternis toenam hoe intensiever het spel tussen zee en maanlicht leek te worden. Geen geluid, alleen het ritmisch ruizen van de zee. Dit alles bij een zacht briesje en een temperatuur die als een warme deken om je heen viel. “Kala?” dat was de plaatselijke uitdrukking waarmee aan de ander werd gevraagd of alles goed was en of je het wel naar je zin had. “Kala?“ vroeg Dimitri nogmaals aan ons.

Verder dan wat knikken en het stamelen van “Né, né“ kwamen we toen nog niet. Waarbij niet de vergissing moet worden gemaakt door te denken dat we NEE, Nee tegen hem zeiden, nee ‘Né’ betekent ja in het Grieks. Een van de klassieke instinkers waar elke toerist tegen aanloopt. Dimitri gebaarde dat we moesten blijven zitten waar we zaten en dat we ons niet mochten bewegen. Hij verdween in zijn veredelde bedstee en kwam, na een hoop gerommel, weer te voorschijn met een oude gitaar. Hij posteerde zich op de balustrade van het balkon en begon, heel zacht, te spelen. Na het intro werd daar nog aan toegevoegd de tekst van een romantisch Grieks liefdeslied. Zijn gitaarspel, zijn stem die zo melodonisch over de liefde verhaalde, de plek waar we zaten, het lichtspel van maan en zee, dit alles kwam tesamen in een gevoel dat bijna niet te beschrijven is. Een gevoel dat je opgetild bent en zweeft boven de plek waar je zelf zit, waarbij je naast deelnemer ook toeschouwer bent geworden van het geheel. Het was een avond om nooit te vergeten.!

Toerisme

Het toerisme in “Balion” zoals de naam was van het dorp, stond duidelijk nog in de kinderschoenen. Her en der werd gebouwd aan nieuwe appartementen complexen en chique hotels. Heel voorzichtig nog, niet de massaliteit waarmee het ruim veertig kilometer naar het oosten gelegen Heraklion was overspoeld. Maar toch, ook hier waren de eerste tekenen van aantrekkend toerisme reeds herkenbaar. Beneden in het Dorp had zich inmiddels een autoverhuur gevestigd. De vorige keren dat we hier geweest waren moest je naar het dichtstbijzijnde stadje om een wagen te huren. De luxe van een eigen autoverhuur werd dan ook breed uitgemeten in de nieuwe brochures van het dorp.

Via Dimitri hadden we een auto gehuurd bij deze plaatselijke verhuurder. Het was een soort kruising tussen een jeep model en een open buggy, welke in die tijd erg 

populair waren. Het was een laag bij de grond, open autootje met een linnendak dat eigenlijk nooit werd gebruikt. De deuren waren zo laag dat openen meer werk opleverde dan er gewoon over heen te stappen. Met autootje begaven we ons door de omgeving van Balion. Het had het voordeel dat je op de meest onbegaanbare weggetjes toch nog behoorlijk uit de voeten kon. Zo ook op deze eerste Paasdag. We waren bijtijds wakker geworden en de zon stond al te branden als een gek. Ontbijt op ons dakterras onder de houten veranda, genietend van altijd aanwezige zeewindje. Na het ontbijt de spulletjes bij elkaar gepakt in een grote tas en klaar voor vertrek. Beneden gekomen de tas met een grote zwier achterin het autootje, naast de twee luchtbedden die we altijd bij ons hadden. We sprongen vol goede moed in het mobiel, ons verheugend op wat de dag ons zou gaan brengen.

Op dat moment ontsteeg, ergens aan de voorkant, een vreemd soort gesis van onder de auto. We keken elkaar vragend aan. ik stapte uit en zag tot mijn stomme verbazing dat mijn linker voorband veel platter was dan mijn rechter. Dit kon alleen maar betekenen dat hij lek was. Goed, het was mooi weer we hadden de hele dag nog voor ons dus dat kwartiertje dat nodig was om die band te verwisselen mocht de pret niet drukken.

Ik begon meteen de reserve band te zoeken. Het bleek dat die, in een soort kooi constructie onder de auto hing. Dimitri kwam ook eens even kijken wat die gekke ‘Ollanders’ nu weer aan het doen waren. Toen hij zag wat er loos was schoot hij in de lach en zij dat hij zich wel over mijn vrouw zou ontfermen terwijl ik de boel weer start klaar maakte. Goed na veel gevloek en getier is het me dan gelukt om de goeie band er onder te krijgen en de lekke weer op te hangen in de kooiconstructie onder de wagen. Natuurlijk een paar zwarte handen en de nodige vegen in gezicht en op het T-shirt. Dus even snel omkleden en opfrissen leek de beste remedie. Het was zover. We waren er klaar voor. Vertrekken op verkenningstocht over het eiland. Wel hadden we besloten om niet zo heel ver van de bewoonde wereld weg te gaan. Zonder een reserve band moest je de goden ook niet gaan verzoeken. Zeker hier op Kreta niet. In het verleden hebben er hier nogal wat goden onderdak gevonden en dat is niet iedereen echt goed bekomen, als je de oude verhalen mag geloven.

Vertrek

Uitgezwaaid door Dimitri vertrokken we via de zeer steile en bochtige weg naar beneden toe. Dit stuk hield Els altijd haar ogen stijf dicht. De weg bestond uit niet meer dan een veredeld geitenpaadje dat zich via een groot aantal onoverzichtelijke bochten een weg naar beneden baande. Aan de ene kant de steile wand van de berg en aan de andere kant de diepte van de afgrond. Het was redelijk te doen. Tenminste, met een voet op de rem, de versnelling in zijn twee en meer gebruiken om af te remmen dan om gas te geven. Zo sukkelden we naar beneden, richting dorpsplein waar het pad uitmonden naast een van de restaurantjes en overging in, wat voor Griekse begrippen, een redelijk verharde weg was. We zouden echter nooit beneden aankomen. Nadat we door de derde bocht heen gingen en Els naast me eens heel voorzichtig met haar ogen had geknipperd, stonden we in enen oog in oog met een gigantische kudde geiten die de weg hadden geblokkeerd en vooralsnog geen aanstalten maakte om te vertrekken. Na een poosje stil te hebben gestaan, maar eens een tik op de claxon gegeven. Dat deed de geiten even op kijken, maar in beweging komen was er niet bij. Links, ergens in de diepte naast de weg hoorde ik een stem de geiten aansporen om verder te gaan. 

De stem werd luider en luider en bracht de geiten in beweging. Ze sprongen tegen de wand aan de rechterkant van de auto omhoog. Er was daar kennelijk een pad dat alleen te herkennen was door een geoefend oog. Ik had het dus nooit gevonden.

Langzaam, als uit het niets kwam een man in traditionele kledij boven de rand van de weg uit. Het haar gewikkeld in een soort zwart vissersnetje, een baard van vier dagen op een gezicht dat was getekend door het leven en het klimaat waarin dit leven zich afspeelden. Een kop zoals je die ziet op alle wervende brochures welke Griekenland door de jaren heen hebben aangeprijsd als het vakantie land bij uitstek. In zijn ene hand een zware stok van olijfbomenhout die hij hanteerde als was het een staf en waar hij met zijn tanige lichaam zwaar op leunde. Om zijn schouder hing een soort knapzak die blijkbaar rijkelijk gevuld was. Er stak een stuk brood uit en de bovenkant van een fles met een kurk. Ik vroeg me af wat er in die fles zou zitten? Was het gewoon water? Of zou het toch ‘Raki’ zijn. Raki was het lokale drankje dat meestal illegaal door de Kretenzers zelf werd gestookt en het meest te vergelijken was met een hele scherpe jonge borrel.

Hij maakte met zijn mond een klakkend geluid dat de geiten aanspoorde om de weg vrij te maken. De meeste schapen luisterden uitstekend en waren keurig tegen de schuine wand gesprongen en weer verdwenen uit het zichts veld. De herder bleef midden op het pad staan totdat hij er zeker van was dat er geen achterblijvers meer waren en dat allen het pad gekruist hadden. Ook de herder maakte nu aanstalten om zich tegen de rots wand omhoog te begeven zijn kudde achterna. Hij was halverwege toen er plotseling, als uit het niets, een grote herdershond aan kwam rennen.

Deze herdershond boezemde dermate veel ontzag in dat ik de auto, zo snel als maar enigszins mogelijk was, in zijn achteruit zette en probeerde weg te rijden. De hond ging te keer en joeg ons werkelijk schrik aan. Hij rende recht op de wagen af, met ontbloot gebit, klaar om toe te bijten. Terwijl hij dit deed klonk, tussen het blaffen door, een diep gegrom uit het diepste van zijn lijf. Eerst stortte hij zich met veel overgave op de gesloten deuren. Eerst aan mijn kant, deze was dicht vergrendeld en hij maakte geen niet de indruk van het type te zijn dat snel zou opgeven. Vervolgens liep hij om de wagen heen en begon zijn geluk om te beproeven aan de kant waar mijn vrouw zat. De schaapsherder was inmiddels in geen velden of wegen meer te bekennen. Na driftig heen en weer gerend te hebben leek de Duitse Herder de moed op te geven. Nog een maal deed hij een uitval naar de wagen. Dit maal moest de linker voorkant eraan geloven. Ook deze pogingen leken te mislukken en met twee grote sprongen ging hij er vandoor. Mijn vrouw en ik keken elkaar opgelucht aan. Wij en de wagen waren er zonder kleerscheuren van af gekomen. Op het moment dat ik de wagen weer in beweging wilde zetten en we eindelijk ons uitstapje wilde vervolgen, door kliefde een luid gesis de stilte die was ontstaan nadat de Duitse Herder was verdwenen. Het gesis kwam me bekend voor en leek verdomd veel op het geluid waarmee we zo’n drie kwartier geleden geconfronteerd waren. Het had iets heel onheilspellend. Het gesis bezorgde ons de rillingen en een vervelend voorgevoel. Ik voelde de auto links voor wegzakken. Toen ik uitstapte zag ik dat we aan de linker voorkant een lekke band hadden. Bij nader inspectie van de band waren duidelijk de bijt sporen te zien die de hond had achter gelaten. We konden dus geen kant meer op. Draaien was nagenoeg onmogelijk op het smalle paadje, dus daar begon ik zo wie zo niet aan met een lekke voorband. Binnen een uur twee lekke banden, je gelooft het niet! Geen reserve band meer onder de auto. Geen garage in de buurt en al zou die er zijn, klop daar maar eens aan zo op de eerste Paasdag.

Els is uitgestapt en is heel voorzichtig naar beneden gelopen om het verkeer tegen te houden dat naar boven wilde. Ik ben gaan zitten, heb de motor gestart en met me voet op de rem, de motor in z´n twee, langzaam heel langzaam naar beneden gesukkeld. Doodsangsten stond ik uit op dat stukje weg. Eenmaal beneden gekomen werd het een vierbaans geitenpad en een stukje verder was een plek waar in hem neer kon zetten zonder dat dat gevaar zou opleveren. Nou weet ik wel dat we toch al niet van plan waren om erg ver weg te gaan die dag, maar dat ons uitsapje niet verder zou gaan dan onderaan de berg waar ons appartementje stond, hadden we alle twee niet gedacht. We haalden onze belangrijkste spullen uit de auto en sloten de auto af. Vervolgens liepen we de zelfde weg weer omhoog terug naar het appartement.

Dat ging dus een stuk minder snel dan de heenweg. We kwamen de bocht om bij de plek des onheil. Midden op de weg stond de schaapsherder met aan zijn voet lag de grote Duitse herder. Die aanblik deed onze pas vertragen. Wat te doen? Terug gaan was geen optie. Blijven staan schoot ook niet op. De schaapherder keek ons heel vriendelijk aan en de Duitse herder maakte ook een heel andere indruk. Schoorvoetend vervolgden we de weg en ik besloot de man aan te spreken op het feit dat zijn hond mijn band stuk gebeten had. We waren hem nu genaderd tot op twee passen. De hond lag nog steeds rustig aan zijn voeten en met de meest innemende lach riep hij ons toe “Καλό Πάσχα”  (Kalo Paska, Vrolijk Pasen) Ik trachtte hem uit te leggen dat zijn hond dat “vrolijke Pasen” voor ons een beetje verpest had. Wat er alleen maar toe leiden dat de man nog vaker en nog vriendelijker het vrolijk Pasen liet klinken. Toen ik hem nog een keer aansprak zette hij prompt zijn tas neer grauwde iets “Grieks” tegen zijn hond en maakte aanstalten om iets uit zijn knapzak te halen. De woeste aanblik van de man maakte dat ik een paar passen achterwaarts zette en me zorgen begon te maken wat eruit die tas te voorschijn ging komen. Met een snelle beweging ging de tas open en ………….. hij pakte de fles en het brood, brak het brood en gaf ons elk een stuk. Ook zijn hond kreeg een stuk brood toegeworpen. Hij pakte de fles en dronk daar eerst zelf uit en stak vervolgens een stuk brood in zijn mond. Hij gaf de fles aan Els en gebaarde dat ze een slok moest nemen en dan het brood in de mond moest steken.

Nadat Els genipt had aan de fles, het brood in haar mond had gestopt en in een geproest was uitgebroken, was het mijn beurt. Ik wilde me niet laten kennen en nam een flinke slok en slikte die meteen door. Vrijwel onmiddellijk stond mijn mond en keel in vuur en vlam. Snel het brood er achteraan om de ergste brand weer te blussen. Ook ik barstte in hoesten en proesten uit, hetgeen de schaapsherder een nog grotere glimlach bezorgde. Weer trachtte ik de stuk gebeten band ter sprake te brengen en weer mislukte alle pogingen. We hadden inmiddels plaats7 genomen midden op het geitenpad, de Duitse herder (dus niet de schaapherder) nestelde zich helemaal op zijn gemak, als een soort schoothondje, tegen mijn vrouw aan.. Die andere herder liet het brood en de fles nog eens rondgaan onder het steeds onverstaanbaarder klinkende “Καλό Πάσχα”  (Kalo Paska, Vrolijk Pasen !!!)

Ach wie wil er dan nog over een stuk gebeten band praten ???