Cowboy in Amsterdam

27-02-2012 23:44

 

Het is warm, erg warm buiten.

Dat betekend dat het in de bestuurders cabine van lijn 10 nog veel warmer is. Geen airco, een slecht werkend vennetje dat een piepend geluid produceert, een klein raampje dat je net niet zo kan openzetten om er voldoende frisse lucht door te laten stromen en een tram die mogelijk nog warmer is. De mensen in de wagen zitten te puffen en er hangt een doordringende zweet lucht in de tram. Iedereen is luchtig gekleed, het is geen weer om dikke kleding te dragen.

De meeste passagiers zijn vrouwen van middelbare leeftijd en wat dames die dat middelbare al reeds lang achter zich hebben gelaten. Heel veel plastic tasjes, de meest logische bepakking voor deze groep dames die geprobeerd hebben hun slag te slaan op de Westermarkt in Amsterdam op deze maandagmorgen. De Westermarkt op maandagmorgen staat beter bekend als de “lapjesmarkt”. Uit Amsterdam en de wijde omgeving, komen op maandagmorgen de vrouwen bijeen die op zoek zijn naar dat ene lapje stof dat ze kunnen om toveren tot een kledingstuk, een tafelkleed of een paar knappe gordijnen.

Op de markt is het altijd een drukte van jewelste, het is er af en toe bijna een gevecht op leven en dood. Het gaat er allemaal om omdat stukje stof te pakken te krijgen wat al die andere vrouwen ook zoeken. Dan is er nog de prijs. De prijs die gevraagd wordt door de lapjesverkopers is altijd te hoog, de prijs die betaald wil worden door de op jacht zijnde vrouwen is altijd te laag. Het spel van loven en bieden wordt tot in de finesse gespeeld. Meestal gaan de vrouwen met het stukje stof ervandoor voor een prijs die hen het gevoel geeft dat ze hun slag hebben geslagen en dat ze die koopman het vel over de oren hebben getrokken.

De koopman gaat aan het einde van de ochtend naar huis met winst en heeft het gevoel dat hij al die “wijven” een oor heeft aangenaaid. Wie er nu uiteindelijk gelijk heeft? Ach dat maakt in dit spel natuurlijk niets uit. Het gaat om de beleving en die is gewoon goed. Op de halte Westermarkt zijn ze ingestapt, hele drommen, bepakt en bezakt met de mooiste spullen die erop lapjes gebied maar te vinden zijn. Het loopt tegen twaalf uur als ik vertrek van de halte en de tram in beweging breng richting Amsterdam-Oost. Het gekakel achter mij blijft aanhouden en gaat alleen nog maar over de fournituren die er bij een bepaald soort kledingstuk horen en waar ze die eventueel kunnen vinden.

Bonanza

Ik kijk vanuit de bestuurderscabine, in mijn spiegel de tram in  en zie dat de meeste zitplaatsen bezet zijn. Enkele vrouwen staan achterin bij elkaar in een goed gesprek. Er heerst een beetje uitgelaten, joviale stemming in de tram. Iedereen heeft ‘goede zin’ en is vrolijk. Een schaterende aanstekelijke lach klinkt regelmatig door de wagen. Het verkeer is rustig zoals gebruikelijk op de maandagmorgen, we rijden door de Marnixstraat naar de kruising Clerckstraat/Rozengracht. We passeren langzaam het politie posthuis en het in het oog springende witte huis in de Marnixstraat. Op de halte bij de kruising staan wat mensen te wachten. Als ik aan kom rijden valt meteen een grote man op die ook staat te wachten op de halte. Hij valt op van wegen zijn bijzonder uitdossing. De man zag eruit of hij zo was weggelopen van een filmset waar Bonanza was opgenomen. Hoss, de meest corpulente zoon van de bewoners van de Bonanza ranch, was er een kind bij.

Naast de immens grote zandkleurige cowboyhoed, welke was voorzien van allerlei veertjes en koorden, wat het geheel weer tot een nogal uitzonderlijk samenraapsel maakte, droeg hij ook een complete outfit die je eerder in het wilde westen zou verwachten dan in het straatbeeld van Amsterdam. Zijn broek was een onvervalste echte Jeans, met leren stukken afgezet en van een kwaliteit waaraan je kon zien dat het een paar centen had gekost. Het jasje, dat hij droeg, was van een duur soort suède en glansde in de zon als de pels van een dier. Zijn overhemd was rijkelijk voorzien van borduursels die verwezen naar de jacht op wilde bizons. De bovenkant van het hemd werd bij elkaar gehouden door een koord dat veel weg had van de koorden die de padvinders ook dragen. Het koord werd weer bij elkaar gehouden door een soort gesp. Die gesp was geen luciferdoosje.

Vroeger, toen ik zelf nog vol ambitie zat om cowboy te worden, kreeg ik van mijn moeder een vilten, ietwat versleten, knalrood cowboyhoedje op. Een boerenzakdoek werd dan om mijn nek geknoopt. Die zakdoek werd dan weer bij elkaar  gehouden met een luciferdoosje. Ze trok dan het geheel wat heen en weer, net zo lang dat het recht zat. Vervolgens nam ze twee stappen afstand, bekeek me met een kritische blik, die overging in een brede glimlach en haar verrukt deed uitroepen: “Och, och wat een knappe cowboy heb ik toch!” U begrijpt dat die woorden op het puntje van mijn tong lagen toen de cowboy zich bij de voordeur van de tram meldde.

Roy Rogers

Hij stapte netjes bij de voordeur in. Zijn verschijning deed het geroezemoes in de tram verstommen. Hij trok onmiddellijk de volledige aandacht van al het vrouwvolk. Weg waren de gesprekken over gespen en lapjesstof. Nee “Roy Rogers” stond in het middelpunt van de vrouwelijke belangstelling. Hij schoof zijn imposante hoofddeksel geroutineerd naar achter en keek me aan. Er kwam geen geluid uit en ik voelde me ook niet echt geroepen om het gesprek te openen. Hij begon wat onzeker heen en weer te draaien, schoof zijn hoed weer naar voren en knikte vriendelijk. Ik, ook niet de beroerdste, knikte bijkans nog vriendelijker, terug en bleef hem aankijken. Hij nam een aanloopje, begon zijn lippen met zijn tong te bevochtigen, smakte is een keer. Bij mij de indruk wekkend dat daar een hele speech aan zat te komen  en zei, met een beetje geknepen stemmetje:

“Hello?”

“Hello, to!”     Antwoordde ik gevat in mijn beste Engels en keek hem weer aan.

Het spartelen van de vervaarlijk uitziende cowboy kreeg zijn vervolg, weer kwam er geen geluid uit. Het werd tijd om de man uit zijn lijden te verlossen. “Hello sir, what can I do for you?”  De man keek me aan met zo een blik van ‘god zij gedankt’, hij begrijpt me.

“May I buy a ticket, please? “ het glazuur sprong bijna van zijn tanden door de grote dot kauwgom die door zijn mond heen en weer vloog. “please sir, may I buy a ticket from you” klonk het nogmaals, iets minder overtuigend. Het hele tafereeltje begon iets lachwekkends te krijgen. Daar stond de grote Amerikaan vreselijk zijn best te doen het Nederlandse systeem van openbaar vervoer te doorgronden. Hij was aan het proberen netjes te betalen en ik liet hem maar aanklooien. De dames op de eerste zitplaatsen begonnen zich er nu ook mee te bemoeien. “Hij mot een kaarretje hebben, snap jij dat nou niet?”

Het was duidelijk, mijn geliefde passagiers vonden dat het lang genoeg geduurd had en besloten de ondertiteling te gaan verzorgen. Langs de Amerikaan heen riep ik tegen de vrouw die de vertaling voor haar rekening had genomen “Als het nou een mof was geweest had je dan ook zo hulpvaardig geweest? (U begrijpt dat de verloren finale van 1974 ook jaren later nog zijn sporen had nagelaten bij de echte Amsterdamse) Ik draaide me gelijk naar de Amerikaan toe en, als in een opwelling, vroeg ik hem vriendelijk:

“Watt do you want to have? A tourist class ticket, a economy class ticket or do you want to have a first-class ticket, Sir”  De Amsterdamse die zo vriendelijk was geweest om te vertalen, verschoot van kleur en verslikte zich, ze verviel in een gigantische hoestbui en zat bijkans te stikken van het lachen.

De Amerikaan haalde zijn schouders eens op en stak zijn hand in zijn zak. Toen hij zijn hand weer naar boven haalde had hij een rol met Amerikaans geld in zijn hand met een elastiekje erom om het bij elkaar te houden. “How much is a First-class ticket, Sir?” vroeg hij, terwijl hij de rol met geld ontdeed van het elastiekje en duidelijk te zien was dat het kleinste biljet dat hij in die rol had zitten een briefje van tien dollar was. Ik keek hem lichtelijk verbaasd aan, ik had nooit verwacht dat hij me serieus zou nemen. Maar goed wie A zegt moet ook B zeggen, dus :

“One sixty, sir and that is included a reserved seat!”

Ik denk nou ontdooit hij wel, er is geen mens die daarin trapt natuurlijk. Oké, just give me one ticket than, first-class, please and warn me if we get at the Frederiksplein please. You can keep the chance and thanks.” Hij betaalde met een 10 dollar biljet en zei dus dat ik het wisselgeld mocht houden. Nou kreeg je wel vaker een tip. Maar een tip van ruim 8 dollar was me nog nooit overkomen. De Hollandse brigade lapjeskopers in de tram waren er inmiddels ook stil van geworden en zaten ademloos toe te kijken waar dat naar toe moest gaan.

“Sir, I can gif you your chance in Dutch money , that’s no problem” probeerde ik nog. Maar de Amerikaan was niet meer op andere gedachten te brengen. Ik gaf hem een rood drie-zone kaartje van Fl. 1,60. En vroeg nogmaals of hij het wel zeker wist dat ik de rest van het geld mocht houden.

“No problem, it is yours. Just tell me where my seat is?”

Ik kon er niets aan doen, maar het was te verleidelijk om het spelletje verder te spelen.

Ik keek in mijn spiegel en zag dat er in de eerste geleding (zeg maar het stuk waar de tram draait als hij een bocht om gaat) een vrouw zat. Het was niet een vrouw die je snel boodschappen zult zien doen in de PC-Hooftstraat.

Ze had zich als het ware ingegraven in de plastictasjes waarin de buit zat van een ochtendje struinen op de lapjesmarkt. Ze bewaakte haar vesting met de agressie van een pitbull. Ik had al een paar keer gezien dat ze een van de mensen die naar achter wilde lopen een gooi had gegeven omdat hij, naar haar mening te dicht bij haar schat kwam.

“Your seat, Sir, is the one on the left site in de second part of the car” De Amerikaan bedankte me nogmaals heel vriendelijk, draaide zich om en liep de tram in op zoek naar zijn zitplaats.

Ik reed inmiddels weg van de halte en kwam in de buurt van het hoofdbureau van Politie. Op het moment dat we het posthuis passeerde, keek ik nog eens in mijn spiegel en zag dat de Amerikaan inmiddels was aangekomen bij de stoel waar de vrouw met de tasjes zat. De blik van haar naar die Amerikaan voorspelde niet veel goeds.

De Amerikaan keek een beetje hulp behoevend om zich heen en keek toen weer naar voren, als of hij hulp verwachte van mij. Ik keek alleen maar uit mijn ooghoeken in mijn spiegel en zag dat hij nogmaals een poging ondernam om de vrouw aan te spreken. Het was inmiddels doodstil geworden in de tram, iedereen voelde dat er iets stond te gebeuren.

Hij boog zich weer naar de vrouw toe en je kon hem horen zeggen “Excuus me lady, but you are sitting on my seat!”

Dat was zo’n beetje de druppel die de emmer deed overlopen voor de vrouw krijsend en slissend van ingehouden woede ontplofte ze: “MY SEAT? MY SEAT?? Ik zal die pokke hoed van je eens even over die rotkop van je trekken als je niet heel vlug opsodemietert, wie denk je wel niet dat je bent, Buffalo Bill?? Ik zit waar ik zit en een knappe gozer die me hier weg krijgt”   Daarmee was duidelijk het gesprek beëindigd. De Amerikaan deed nog een poging om oog contact met mij te maken, maar ik zag natuurlijk niks. Dat klopte ook wel want ik moet bekennen dat opdat moment de tranen rijkelijk over mijn wangen rolde van het lachen. Gelukkig was ik niet de enigste, de hele tram had inmiddels het grootste plezier in deze onbedoelde voorstelling.

De Amerikaan??  Die koos eieren voor zijn geld en zocht een plaats op een leeg bankje verder in de tram. Bij het Frederiksplein waarschuwde ik hem door te melden dat hij er uit moest, Hij zwaaide vriendelijke ter afscheid. Bij Caré moest de dame eruit die zo vriendelijk had vertaald dat hij een kaartje wilde. Ze kwam naast me staan bij de voordeur en vroeg vriendelijk of ze er hier even uit mocht. Ik deed de voordeur voor haar open en wenste haar een goede dag. Ze bleef even staan en keek me aan, met een diepe zucht zei ze:

“Wat een scheitbak ben jij! Maar ik heb me wel rot gelachen, bedankt!